4.2.De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat eiseres’ belang rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken, zij belanghebbende is en dat haar beroep ontvankelijk is. Hiermee komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking zijn getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), dan wel een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 18 juli 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
6. Voor de percelen aan [adres] geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied [plaats 2] 2020’. Op basis van het bestemmingsplan hebben de percelen [perceel 1] en [perceel 2] de bestemmingen ‘Waarde – Ecologie – Natuurnetwerk Brabant’ en ‘Natuur’.
Ingevolge artikel 18.1.1 van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Natuur’ aangewezen gronden onder meer bestemd voor:
het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuurwaarden;
het behoud, het herstel en de ontwikkeling van ecologische verbindingszones;
(…)
(…)
extensief recreatief medegebruik (…)
(…)
Artikel 18.1.2 van het bestemmingsplan bepaalt dat op deze gronden, met inachtneming van de aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 18.1.1 genoemde bestemming mogen worden opgericht:
(…)
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder trim- en speeltoestellen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik.
Artikel 18.5.1 van het bestemmingsplan bepaalt dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
het aanbrengen van hoogopgaand en/of diepwortelende beplanting, waaronder houtgewas;
het vellen van houtgewas;
(…)
het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
(…)
In artikel 18.5.2 van het bestemmingsplan is bepaald dat het in lid 18.5.1 vervatte verbod niet geldt voor werken en/of werkzaamheden die:
behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
Ingevolge artikel 33.1.1 van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Waarde – Ecologie – Natuur Netwerk Brabant’ aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
a.
het behoud, beheer, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden (Natuur Netwerk Brabant);
alsmede voor:
extensief recreatief medegebruik;
(…)
agrarisch gebruik gericht op natuurbeheer.
Artikel 33.1.2 van het bestemmingsplan bepaalt dat op deze gronden, met inachtneming van de aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 33.1.1 genoemde bestemmingen mogen worden opgericht:
a.
bouwwerken, geen gebouw zijnde.
Artikel 33.4.1 van het bestemmingsplan bepaalt dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen, mengen en ophogen van gronden;
(…)
(…)
(…)
(…)
het verwijderen van beplanting en/of houtopstand;
(…)
In artikel 33.4.2 van het bestemmingsplan is bepaald dat het in 33.4.1 vervatte verbod niet geldt voor werken en/of werkzaamheden die:
behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
7. In een schriftelijke reactie hebben de derde-partijen erop gewezen dat eiseres in haar handhavingsverzoek niet expliciet om optreden tegen de aanwezigheid van een paardenbak heeft verzocht. Doordat het college in het bestreden besluit alsnog een beslissing heeft genomen ten aanzien van de paardenbak op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] , is het buiten de reikwijdte van het handhavingsverzoek getreden. Op de zitting heeft het college zich hierbij aangesloten en gesteld dat handhaving ten aanzien van de paardenbak een niet toegestane uitbreiding is van het oorspronkelijke handhavingsverzoek.