ECLI:NL:RBZWB:2025:7943
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen Wet open overheid
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het college van burgemeester en wethouders van Breda op haar aanvraag van 20 juli 2024 in het kader van de Wet open overheid (Woo). Het beroep werd ingediend op 13 december 2024. Het college heeft vervolgens op 25 maart 2025 alsnog een besluit genomen, waarna verzoekster haar beroep heeft ingetrokken.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, maar het college heeft niet gereageerd. De rechtbank oordeelt dat het college aan verzoekster is tegemoetgekomen door alsnog te beslissen, waardoor het verzoek om proceskostenveroordeling toewijsbaar is.
De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 453,50 aan proceskosten, bestaande uit de kosten van het beroepschrift, aangezien de zaak uitsluitend ging over de overschrijding van de beslistermijn. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het college verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot het college moet wenden.
De uitspraak is gedaan door rechter A.G.J.M. de Weert op 18 november 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Breda wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan verzoekster.