Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
de minister van Financiën, verweerder.
Samenvatting
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Totstandkoming van het bestreden besluit
Beroepsgronden
in afwijking van”, zoals aangegeven in artikel 3.6, vierde lid, van de Wht. Overigens komt deze terminologie maar liefst 17 keer voor in de Wht. Uit de formulering van artikel 4.1, derde en vier lid, van de Wht blijkt dan ook dat het hier om bewijsrecht gaat. Dit impliceert een breed scala aan mogelijke geldschulden en kosten die niet automatisch worden overgenomen (derde lid) en ook niet automatisch worden afgewezen (vierde lid). Het lijkt erop dat de wetgever de rechtspraktijk een rol heeft toebedeeld om dit grijze gebied nader in te vullen.
Juridisch kader
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
2025en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.