ECLI:NL:RBZWB:2025:8044

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
24/3976 ZW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van Ziektewet-uitkering na niet verschijnen bij deskundige

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 18 november 2025, wordt het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn Ziektewet (ZW)-uitkering beoordeeld. Het UWV had op 21 juli 2023 besloten de uitkering van eiser te beëindigen per 22 augustus 2023, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Eiser heeft tweemaal niet gereageerd op uitnodigingen voor een deskundigenonderzoek, wat voor zijn rekening en risico komt. De rechtbank concludeert dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd, omdat eiser niet aan de criteria voor arbeidsongeschiktheid voldoet. De rechtbank oordeelt dat de medische beoordeling door de verzekeringsartsen zorgvuldig is uitgevoerd en dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser meer beperkt is dan vastgesteld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en kent geen proceskostenvergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3976 ZW

uitspraak van 18 november 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. P.F.M. Gulickx,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Rotterdam), verweerder,
gemachtigde: mr. N. Regragui.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
1.1
Het UWV heeft met het besluit van 21 juli 2023 (primair besluit) de ZW-uitkering van eiser beëindigd met ingang van 22 augustus 2023.
Met het bestreden besluit van 22 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de beëindiging van de uitkering gebleven.
1.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Op de zitting is het onderzoek gesloten.
1.4
Op 23 december 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om een psychiater te raadplegen. De rechtbank achtte het noodzakelijk dat eiser nader zou worden onderzocht. [psychiater] (van [bedrijf] ) zou dit onderzoek verrichten. Zij heeft echter niet gerapporteerd. [bedrijf] heeft het dossier, met instemming van de rechtbank, namelijk gesloten zonder dat is gerapporteerd.
1.5
Op 4 november 2025 heeft, op verzoek van eiser, een nadere zitting plaatsgevonden. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde. Het UWV is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is.
Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Bij deze beoordeling is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
3. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd per 22 augustus 2023.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1
Eiser is op uitzendbasis werkzaam geweest als schoonmaker. Voor dat werk is hij op 24 juni 2022 uitgevallen met psychische klachten en klachten aan de benen.
Het UWV heeft aan eiser een ZW-uitkering toegekend. Na een zogeheten eerstejaarsbeoordeling heeft het UWV gesteld dat eiser in staat is om passende arbeid te verrichten.
3.2
Niet in geschil is dat eiser 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht ook heeft beoordeeld of eiser in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
4. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
4.1
De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur, hem lichamelijk en psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat eiser zich ziek heeft gemeld met spanningsklachten en uitingen van boosheid/ somberheid. Hij heeft ook problemen met lang achtereen lopen. Tijdens het onderzoek ziet de verzekeringsarts een man die al 33 jaar in Nederland woont maar zich onvoldoende heeft kunnen aanpassen aan de Nederlandse maatschappij. Eiser spreekt beperkt Nederlands en kan het Nederlands niet goed lezen. Eisers sociale situatie en verleden geven hem veel stress. Het beeld imponeert als aanpassingsproblematiek in reactie op spanning. Eiser geeft aan dat hij snel boos wordt. Of er onderliggende persoonlijkheidsproblematiek speekt kan de verzekeringsarts uit het eenmalige onderzoek niet opmaken. In het spreekuur kan de verzekeringsarts geen evidente psychopathologie waarnemen. In verband met eisers snellere geïrriteerdheid is een eigen afgebakende taak wenselijk. Eiser heeft suikerziekte. Hierdoor is hij aangewezen op regelmatige werktijden. Zowel uit de anamnestische gegevens als uit de bevindingen bij lichamelijk onderzoek komt volgens de verzekeringsarts een beeld naar voren van claudicatio intermittens. Hierdoor is eiser in duur beperkt in lopen en moet hij lopen geregeld afwisselen met zitten. Gezien dit laatste aspect acht de verzekeringsarts ongeschikt voor de maatgevende arbeid. Hij is wel geschikt voor passend werk. De verzekeringsarts heeft eisers beperkingen en de belastbaarheid neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 juni 2023.
De verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien tijdens de hoorzitting, hem lichamelijk en psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts b&b concludeert dat de belastbaarheid van eiser in de FML van 15 juni 2023 juist is vastgesteld. De verzekeringsarts b&b is in zijn rapportage ingegaan op de beoordelingspunten in de FML waarvan eiser heeft gesteld dat die (verder) beperkt zouden moeten worden. De verzekeringsarts b&b licht toe, onder verwijzing naar de Basisinformatie Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), waarom er geen grond is voor een beperking op die punten.
4.2
Eiser heeft gesteld dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen aangenomen. Door de veelheid aan lichamelijke en psychische klachten is eiser volledig arbeidsongeschikt en niet in staat om enige arbeid te verrichten.
Eiser heeft suikerziekte, een verhoogd cholesterol, last van zijn rechterschouder, een overbelaste rechterenkel en astma. Hij draagt een bril en heeft een plaat in zijn been.
Voor de suikerziekte, cholesterol en astma heeft eiser medicatie. Door de suikerziekte moet eiser ’s nachts vaak naar het toilet en heeft hij beperkingen als zijn suikerspiegel erg hoog of laag is. Bij veel lopen en staan krijgt eiser last van zijn enkel.
Naast zijn lichamelijke klachten heeft eiser psychische klachten en taalproblemen. Eiser is erg depressief, heeft last van spanningen en gebruikt antidepressiva. Hij heeft traumatische ervaringen waardoor hij al 25 jaar een instabiele gezondheid heeft zonder enig positief vooruitzicht. Eiser is verwezen naar de GGZ en staat op de wachtlijst. Vanwege de moeite die eiser heeft met de Nederlandse taal is hij op zoek naar een Turkse psycholoog.
Door zijn klachten heeft eiser slaapproblemen en daardoor concentratieproblemen, vergeetachtigheid, onvoorspelbare of onconventionele gevoelsuitingen, vermoeidheids-klachten en pijnklachten.
Eiser stelt dat hij daardoor meer beperkt is op: vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht, herinneren, inzicht in eigen kunnen, doelmatig handelen, zelfstandig handelen, handelingstempo, zien, spreken, schrijven, lezen, emotionele problemen van anderen hanteren, temperatuur, tocht, staan tijdens het werk, bovenschouder actief zijn en werktijden. Daarnaast gelden er volgens eiser specifieke voorwaarden ten aanzien van het persoonlijk functioneren en de mate van zelfstandigheid.
Verder stelt eiser, onder verwijzing naar het Korosec-arrest, dat het onderzoek door de verzekeringsarts onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat uit onderzoek niet is op te maken of er onderliggende persoonlijkheidsproblematiek speelt maar hij heeft ten onrechte nagelaten daarnaar nader onderzoek te doen.
Eiser is niet in staat om stukken te overleggen om zijn standpunt te onderbouwen. Hij heeft geen stukken van de behandeling bij de psycholoog 15 jaar geleden. En omdat hij alleen nog maar op de wachtlijst staat voor een psycholoog kan hij daarvan evenmin stukken overleggen.
Eiser heeft wel een aanmeldformulier van [stichting] van 29 september 2023 en
e-mailberichten uit 2023 en 2024 van onder meer sociaal raadvrouw [persoon] overgelegd.
4.3
Omdat uit de rapportage van de primaire verzekeringsarts volgt dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van persoonlijkheidsproblematiek en gelet op de door eiser in beroep overgelegde informatie, heeft de rechtbank aanleiding gezien om een psychiater nader onderzoek te laten doen naar eisers psychische toestand.
De rechtbank heeft in de brief van 26 februari 2025 meegedeeld dat eiser verplicht is om mee te werken aan het deskundigenonderzoek en dat de rechtbank aan het niet voldoen aan deze verplichting de gevolgen kan verbinden die haar geraden voorkomen.
Eiser is, zowel per aangetekende post als per e-mail, tweemaal uitgenodigd door de deskundige voor onderzoek, op 24 maart 2025 en 28 april 2025, maar is daar beide keren niet verschenen.
Eiser betwist niet dat hij de uitnodigingen voor deze afspraken heeft ontvangen, maar stelt dat hij die niet begreep dan wel die is vergeten. Op de zitting wees hij ook nog op een hartoperatie die hij heeft ondergaan. Eiser zou graag alsnog willen worden onderzocht door een deskundige en heeft toegezegd daar zijn medewerking aan te zullen verlenen.
De rechtbank ziet echter geen reden om een deskundige opnieuw opdracht te geven voor onderzoek. Als eiser de uitnodigingen niet begreep, had het op zijn weg gelegen om daar duidelijkheid over te krijgen. Zo had hij kunnen aankloppen bij zijn gemachtigde – die overigens per e-mail door [bedrijf] is geïnformeerd over de eerste ‘no show’ – of bijvoorbeeld zijn zoon. Dat hij dat heeft nagelaten en niet is verschenen op de afspraken bij de deskundige dient voor zijn rekening en risico te blijven. Het feit dat hij een operatie heeft ondergaan maakt dat niet anders. Gebleken is namelijk dat eiser die operatie pas in de zomer van 2025 heeft ondergaan, terwijl de afspraken bij de deskundige al ruim voordien in maart en april 2025 waren.
De rechtbank gaat daarom uit van de (juistheid van de) in het dossier beschikbare informatie. Voor zover informatie ontbreekt die uit het deskundigenonderzoek naar voren had kunnen komen, oordeelt de rechtbank – met toepassing van artikel 8:31 Awb – dat dit voor rekening en risico van eiser komt.
4.4.
Op basis van die informatie is de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is verricht. De verzekeringsartsen waren op de hoogte van de klachten van eiser, waaronder zijn depressieve klachten, klachten aan de benen en enkel en als gevolg van de suikerziekte en astma. De verzekeringsartsen hebben naar die klachten onderzoek verricht. De verzekeringsartsen hebben eiser gezien en hem lichamelijk en psychisch onderzocht. Daarnaast hebben zij dossieronderzoek verricht.
4.5.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsartsen eisers beperkingen hebben onderschat.
Met betrekking tot eisers stelling dat hij volledig arbeidsongeschikt is op medische gronden is de rechtbank van oordeel dat daarvan geen sprake is. Daarvan kan alleen sprake zijn als eiser geen benutbare mogelijkheden heeft. Eiser voldoet niet aan de criteria van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten om dat aan te nemen. Dat kan alleen als eiser zou zijn opgenomen in een ziekenhuis of in een instelling, bedlegerig is, ADL-afhankelijk is of als gevolg van een ernstige psychische stoornis psychisch niet zelfredzaam is. Dat is bij eiser niet aan de orde.
Ten aanzien van eisers psychische klachten overweegt de rechtbank dat de beschikbare informatie (van een psycholoog) daarover 15 jaar oud is. Die informatie is niet dan wel onvoldoende relevant voor de datum in geding, 22 augustus 2023. Recentere informatie van een behandelaar is er niet omdat eiser niet onder behandeling staat. Zoals reeds overwogen is er ook geen informatie van de door de rechtbank benoemde psychiater en baseert de rechtbank zich op de informatie uit het dossier. Daaruit blijkt dat niet alleen de primaire verzekeringsarts maar ook de verzekeringsarts b&b eiser psychisch heeft onderzocht. Daarbij zijn geen bijzonderheden waargenomen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om er van uit te gaan dat eiser op datum in geding psychisch meer beperkt is dan door de verzekeringsartsen aangenomen.
De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapportage de door eiser benoemde beoordelings-punten beoordeeld en daarop een uitgebreide toelichting gegeven. De rechtbank vindt die toelichting afdoende. Daarbij betrekt de rechtbank dat, gelet op de Basisinformatie CBBS, beperkingen in de rubriek Persoonlijk functioneren, zoals de verzekeringsarts b&b ook stelt, in beginsel alleen worden aangenomen bij ernstige stoornissen (bijvoorbeeld bij een ernstige depressie, hersenschade, een uitgebreide neurocognitieve stoornis, een verstandelijke beperking of een autismespectrumstoornis (ASS)). Dat is bij eiser niet gebleken.
Met betrekking tot eisers klachten aan zijn rechterschouder, heeft de verzekeringsarts b&b naar het oordeel van de rechtbank afdoende gesteld dat niet is gebleken dat eiser die klachten al op datum in geding had. Die klachten zijn bij de primaire verzekeringsarts niet benoemd en er is door die arts bij lichamelijk onderzoek geen beperking vastgesteld. Ook de verzekeringsarts b&b heeft bij lichamelijk onderzoek geen beperkingen aan de schouder vastgesteld. De verzekeringsartsen hebben dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen rekening hoeven houden met de door eiser geclaimde schouderklachten.
De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat in de FML van 15 juni 2023 de beperkingen van eiser niet zijn onderschat. De beroepsgrond dat eiser meer beperkt moet worden, slaagt niet. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
5.1
Een arbeidsdeskundige van het UWV heeft, rekening houdend met de FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: productiemedewerker metaal en elektro-industrie (Sbc-code 111171), snackbereider (Sbc-code 111071) en textielproductenmaker (Sbc-code 111160).
Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) heeft de door de primaire arbeidsdeskundige geduide functies beoordeeld op geschiktheid en deze voor eiser passend geacht.
5.2
Eiser heeft aangevoerd dat deze functies ten onrechte geschikt worden geacht. Hiertoe heeft hij gesteld dat hij slechts enkele jaren basisonderwijs heeft, alleen werkervaring als schoonmaker heeft en niet in staat is om zich om te scholen. De geduide functies zijn ongeschikt vanwege het tempo, de concentratie, zitten, tillen, het samenwerken, de Nederlandse taal en het boven schouderwerken.
5.3
De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Eisers beroepsgronden geven daartoe onvoldoende aanleiding. Een deel van de gronden heeft betrekking op eisers standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat. De rechtbank ziet – zoals reeds overwogen – geen aanleiding om eiser hierin te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de arbeidsdeskundigen verder afdoende gemotiveerd dat de belasting in de functies eisers belastbaarheid niet overschrijdt en dat die functies voor hem geschikt zijn.
Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat in de geduide functies geen opleiding wordt gevraagd of hooguit enkele jaren basisonderwijs en dat het functies met opleidingsniveau 1 betreft. Daarnaast wordt beheersing van de Nederlandse taal op eenvoudig niveau gevraagd. Gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [1] moet eiser, ondanks zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal, geschikt worden geacht voor de geduide eenvoudige productiematige functies.
De hiervoor genoemde functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
6. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
Omdat pas recht bestaat op een ZW-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV de ZW-uitkering terecht beëindigd per 22 augustus 2023.

Conclusie en gevolgen

7.1
Het beroep is ongegrond.
7.2
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgt eiser geen proceskosten-vergoeding. Ook krijgt hij het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 18 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: Wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.
Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:
- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Artikel 2
1. De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, bedoeld in de WAO, de Waz en de hoofdstukken 2 en 3 van de Wajong, de beoordeling van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in de hoofdstukken 1a, 2 en 3, van de Wajong, de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in de ZW en de beoordeling van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid of de mate van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid, bedoeld in de Wet WIA, worden gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek.
2. Van het arbeidsdeskundig onderzoek kan worden afgezien:
a. gedurende de periode waarin uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek blijkt dat betrokkene geen benutbare mogelijkheden heeft;
5. Benutbare mogelijkheden als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid zijn alleen dan niet aanwezig indien:
a. betrokkene is opgenomen in een ziekenhuis of in een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet toelating zorginstellingen die zorg verleent waarop aanspraak bestaat ingevolge de Wet langdurige zorg, met uitzondering van een inrichting waar geestelijk gestoorde delinquenten van overheidswege verpleegd worden;
b. betrokkene bedlegerig is;
c. betrokkene voor het uitvoeren van activiteiten van het dagelijks leven dermate afhankelijk is dat hij lichamelijk niet zelfredzaam is; of
d. betrokkene als gevolg van een ernstige psychische stoornis in zijn zelfverzorging, in zijn directe samenlevingsverband alsook in zijn sociale contacten, waaronder zijn werkrelaties, niet of dermate minimaal functioneert dat hij psychisch niet zelfredzaam is.
Artikel 9
Bij bepaling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen worden de volgende regels in acht genomen:
a. in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen, waaronder mede wordt begrepen arbeid waarvoor bekwaamheden nodig zijn die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven, tenzij betrokkene niet over dergelijke bekwaamheden beschikt en als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek dergelijke bekwaamheden niet kan verwerven. Onder deze bekwaamheden worden ten minste verstaan mondelinge beheersing van de Nederlandse taal en eenvoudig computergebruik. Deze arbeid wordt nader omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies. Deze functies vertegenwoordigen ieder ten minste drie arbeidsplaatsen. De gegevens met betrekking tot de in aanmerking genomen functies, met alle daaraan verbonden specifieke aspecten inzake belasting, beloning en opleidingseisen mogen op het moment van de datum waarop de ter gelegenheid van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gegeven beschikking betrekking heeft, niet ouder zijn dan 24 maanden;

Voetnoten

1.bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 mei 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:826).