Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade bovenop de reeds toegekende definitieve compensatie. De Dienst Toeslagen kende een aanvullende vergoeding toe van €29.456,-, maar wees meerdere schadeposten af, waaronder vermogensschade, extra kosten, studieschuld en een hogere vergoeding voor immateriële schade.
De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen de omvang van de immateriële schade onvoldoende heeft gemotiveerd, mede omdat de bijzondere omstandigheden van eiseres, zoals huiselijk geweld en verwaarlozing, onvoldoende zijn meegewogen. De overige afgewezen schadeposten worden door de rechtbank niet toegekend vanwege gebrek aan causaal verband of toepasselijkheid binnen de Wht.
De rechtbank wijst op de vergewisplicht van het bestuursorgaan bij het baseren op adviezen van deskundigen en concludeert dat de Dienst Toeslagen hieraan heeft voldaan. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om te reageren op adviezen alvorens het bezwaar te beslissen.
Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens het motiveringsgebrek en de Dienst Toeslagen krijgt acht weken de tijd om dit te herstellen. De rechtbank houdt verdere beslissing aan en zal na herstel de zaak zonder nieuwe zitting afdoen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onvoldoende motivering van de immateriële schadevergoeding en het besluit wordt vernietigd met herstelmogelijkheid voor de Dienst Toeslagen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/403 WHT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en
de Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen de berekende aanvullende compensatie voor werkelijke schade op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar bezwaar en voert daartoe een aantal gronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het bezwaar.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de omvang van de aanvullende compensatie voor immateriële schade onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is om die reden gegrond. De Dienst Toeslagen krijgt de gelegenheid het motiveringsgebrek te herstellen. De overige gronden van eiseres leiden niet tot aanpassing van de definitief berekende aanvullende compensatie voor werkelijke schade. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Na herbeoordeling van de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 is aan eiseres een compensatiebedrag van € 54.272,- toegekend (de definitieve compensatiebeschikking). De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen de definitieve compensatiebeschikking ongegrond verklaard. [1] Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
2.1.
Volgens eiseres is de werkelijke schade die zij heeft geleden hoger dan het compensatiebedrag. Zij heeft daarom een verzoek ingediend om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade. Zij verzoekt daarin om een aanvullende compensatie voor vermogensschade, extra kosten door stopzetting kinderopvangtoeslag, de studieschuld van haar dochter en immateriële schade.
2.2.
De Commissie Werkelijke Schade (CWS) heeft het verzoek van eiseres beoordeeld en heeft aan de Dienst Toeslagen geadviseerd om een aanvullende schadevergoeding toe te kennen van € 29.456,-.
2.3.
Met het besluit van 19 juli 2022 heeft de Dienst Toeslagen een aanvullende schadevergoeding toegekend aan eiseres onder verwijzing naar en conform het advies van de CWS.
2.4.
Met het bestreden besluit van 20 november 2023 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst Toeslagen het advies van de Bezwaarschriften Adviescommissie (BAC) en de daarin gegeven motivering gevolgd en het bezwaar ongegrond verklaard.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en [naam 1] en [naam 2] namens de Dienst Toeslagen.
2.8.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek van eiseres om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade deels toegekend, namelijk een bedrag van € 29.456,-. De gevraagde compensatie voor vermogensschade (€ 28.203,-), extra kosten als gevolg van het stopzetten van de kinderopvangtoeslag (onjuiste berekening terugbetaalde toeslag van € 6.696,-, leven onder het bestaansminimum € 33.735,-, betaalde rente € 23.002,82 en private schulden € 24.252,57) en de studieschuld van de dochter van eiseres (€ 60.000,-) zijn afgewezen.
3.1.
De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen terecht de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade heeft gehandhaafd op € 29.456,-.
Standpunt eiseres
4. Eiseres voert aan dat niet zij het bewijs moet leveren van de geleden schade, maar dat de Dienst Toeslagen op basis van welwillendheid en aannemelijkheid van de verzochte vergoeding en met inachtneming van het motiveringsbeginsel daarover zelfstandig dient te beslissen. Daarnaast heeft de Dienst Toeslagen nagelaten om het advies van de CWS en/of van de BAC toe te sturen alvorens te beslissen op het bezwaar. Hierdoor is eiseres niet in de gelegenheid geweest te reageren op het advies. Ook is eiseres het niet eens met de afwijzing van haar verzoeken om vergoeding van vermogensschade, herberekening van de definitieve compensatiebeschikking, uit de Catshuisregeling betaalde schulden en de studieschuld van haar dochter. Tevens is volgens eiseres te weinig vergoeding voor immateriële schade toegekend. Eiseres stelt verder dat Dienst Toeslagen (alsnog) het schadekader ‘De werkwijze en het schadekader van de CWS’ van 1 juli 2024 moet toepassen.
Achtergrond
5. In de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in voorgaande jaren zijn fouten
gemaakt, waarvan ouders de dupe zijn geworden. Deze toeslagenaffaire heeft geleid tot verschillende herstelregelingen om burgers te compenseren voor deze fouten. De compensatie wordt door de Dienst Toeslagen toegekend. De uitvoering van deze regelingen is belegd bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT).
Toetsingskader
6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Het bevoegde bestuursorgaan
7. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit van 20 november 2023 niet de naam van het bestuursorgaan bevat dat het besluit heeft genomen, maar dat dit uit de inhoud van de brief voldoende duidelijk is. Ter zitting is toegelicht dat de Dienst Toeslagen het besluit heeft genomen. Eiseres heeft op zitting gesteld dat zij hier ook vanuit is gegaan. De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil hier ook vanuit gaan.
Heeft eiseres recht op meer aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade?
8. Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend. [2]
8.1.
De werkelijke schade, als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht, betreft schade die een aanvrager van kinderopvangtoeslag heeft geleden door de institutionele vooringenomenheid of door de hardheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, die werd gevormd door kinderopvangtoeslagbesluiten. Dat betekent dat alleen de schade die het gevolg is van deze besluiten op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht, onder voorwaarden voor vergoeding in aanmerking komt. De Dienst Toeslagen dient bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade aansluiting te zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen de Dienst Toeslagen en de aanvrager in geschil is. [3]
Bewijslast
9. Eiseres heeft betoogd dat zij recht heeft op een hogere aanvullende werkelijke compensatie en vindt dat de Dienst Toeslagen geen strenge bewijslast mag hanteren. De rechtbank verwijst in dit verband naar artikel 2.1 van de Wht, dat bepaalt dat een aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het bij de definitieve compensatiebeschikking toegekende bedrag. De aanvrager van de compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Als hij daarin slaagt heeft hij in beginsel recht op de door hem aangevraagde aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Concreet betekent dit dat eiseres aannemelijk dient te maken dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van de Dienst Toeslagen. [4] De rechtbank zal hierna per schadepost beoordelen of de Dienst Toeslagen het kader juist heeft toegepast.
Vergewisplicht
10. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) [5] mag een bestuursorgaan afgaan op een door een deskundige uitgebracht advies of rapport, nadat het bestuursorgaan is nagegaan of dit advies of rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (de vergewisplicht). Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 vanPro de Awb voor andere adviseurs. Als een belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies of rapport afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur om een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.
10.1.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat zij zich in het bestreden besluit heeft mogen baseren op de adviezen van de CWS en de BAC, omdat de uitgebrachte adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen, de redenering navolgbaar is en de getrokken conclusies hierop aansluiten. De rechtbank volgt deze redenering en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht.
Gelegenheid geven te reageren op het advies van de BAC en de CWS
11. De CWS en de BAC geven advies aan de Dienst Toeslagen over een ingediend verzoek of bezwaar. Het advies van een commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen. [6] De Dienst Toeslagen dient met toezending van de beschikking over een herstelmaatregel tevens het advies van de betrokken commissie en de gegevens die direct ten grondslag liggen aan de beschikking toe te sturen. [7] Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor omschreven artikelen van de Awb en de Wht niet dat eiseres in de gelegenheid dient te worden gesteld om te reageren op het advies van de BAC alvorens de Dienst Toeslagen op haar bezwaar beslist.
11.1.
Eiseres doet wat betreft het advies van de CWS een beroep op hoofdstuk 1.2. van ‘De werkwijze en het schadekader van de CWS’ van 1 juli 2024, waarin is opgenomen dat de CWS het opgestelde advies op hetzelfde moment naar de ouder en naar de Dienst Toeslagen stuurt.
11.2.
De rechtbank stelt vast dat op het moment van het uitbrengen van het advies door de CWS het door eiseres genoemde schadekader nog niet van toepassing was. Het advies van de CWS is namelijk gedateerd op 8 juni 2022. Op dat moment was enkel het ‘CWS beleidskader begroting immateriële schadevergoeding’ [8] van toepassing. Hierin is niet opgenomen dat het advies op hetzelfde moment naar eiseres en de Dienst Toeslagen moeten worden gestuurd. Deze beroepsgrond slaagt daarom al niet.
De schadeposten
12. De rechtbank zal hierna ingaan op de schadeposten die volgens eiseres voor een aanvullende vergoeding in aanmerking komen.
Vermogensschade
12.1.
Eiseres voert aan dat zij € 28.203,- vermogensschade heeft. In 2015 heeft zij een huis gekocht voor € 149.000,-, omdat zij (ondanks een goed salaris) vanwege haar schulden geen hypotheek kon krijgen voor een huis van € 200.000,-. De waardestijging van haar huis tot 2020 bij een stijging van 55,3% is € 82.397,- en van een huis van € 200.000,- is dat € 110.600,-. Het verschil is volgens haar de vermogensschade die ze is misgelopen.
12.2.
De rechtbank volgt het standpunt van de Dienst Toeslagen dat er geen causaal verband is tussen de terugbetalingen/invorderingen van kinderopvangtoeslag over de jaren 2006 tot en met 2011 en het in februari 2015 niet kunnen aankopen van een duurdere woning. Zo hangt de verkrijging van een hypotheek af van meerdere factoren dan uitsluitend een schuld. Daar betrekt de rechtbank bij dat eiseres het gestelde plan om een huis van € 200.000,- te kopen, en dat dat plan niet kon doorgaan vanwege haar schulden, niet met onderbouwende stukken aannemelijk heeft gemaakt. De Dienst Toeslagen heeft dan ook terecht geen vergoeding toegekend voor deze door eiseres gestelde vermogensschade.
Onjuiste berekening terugbetaalde toeslag
12.3.
Eiseres stelt dat aan haar een onjuist bedrag aan compensatie is toegekend voor terugbetaalde kinderopvangtoeslag en dat zij recht heeft op een nabetaling van € 6.696,-.
12.4.
De rechtbank stelt vast dat het door eiseres genoemde bedrag van ongeveer € 6.000,- het verschil is tussen de door eiseres gestelde terugbetaalde kinderopvangtoeslag van € 33.735,- en het door de Dienst Toeslagen bij de definitieve compensatiebeschikking toegekende bedrag van € 27.039,-. Dit bedrag is al eerder in de beroepsprocedure over de definitieve compensatiebeschikking aan de orde geweest en daarover is geoordeeld in de uitspraak van de rechtbank van 23 juni 2023. [9] De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat in de berekening van eiseres ook toeslagen zijn betrokken die niet zien op de kinderopvangtoeslag en dat eiseres hiermee onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd in haar berekening, zodat deze niet kan worden gevolgd. Nog los van het gegeven dat de uitspraak van de rechtbank onherroepelijk vast staat, heeft de CWS ook terecht medegedeeld dat zij niet bevoegd zijn om te oordelen over onjuistheden in de berekening van de definitieve compensatiebeschikking.
Schade vanwege het leven onder het bestaansminimum
12.5.
Volgens eiseres heeft zij recht op € 33.735,- schadevergoeding vanwege het leven onder het bestaansminimum.
12.6.
De rechtbank stelt vast dat eiseres haar schadebedrag heeft begroot op het hiervoor genoemde bedrag aan terugbetaalde kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen stelt terecht dat de teruggevorderde kinderopvangtoeslag al is gecompenseerd voor een bedrag van € 27.039,- en dat het leven onder het bestaansminimum wordt meegewogen bij de vaststelling van de vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank zal hierna beoordelen of eiseres voldoende is gecompenseerd middels een vergoeding voor immateriële schade.
Betaalde rente
12.7.
De rechtbank stelt vast dat eiseres binnen de aanvullende werkelijke schadevergoeding een bedrag van € 22.492,91 aan rente vergoed heeft gekregen. Eiseres betwist de hoogte van dit bedrag niet, dus dit onderdeel is niet langer in geschil.
Private schulden
12.8.
Eiseres stelt dat Sociale Banken Nederland (SBN) ten onrechte haar verzoek om compensatie voor door haar, met het geld van de Catshuisregeling, betaalde private schulden heeft afgewezen.
12.9.
De Dienst Toeslagen wijst, naar het oordeel van de rechtbank terecht, naar de specifieke regelingen in de Wht voor overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden (hoofdstuk 4). Eiseres heeft ook beroep ingesteld tegen de afwijzing door de minister van Financiën van de schulden op de schuldenlijst van de SBN, welke afwijzing in die procedure beoordeeld wordt. Aanvullende compensatie voor de werkelijke schade vanwege betaalde schulden is niet mogelijk in deze procedure, omdat dit buiten de reikwijdte van artikel 2.1, derde lid, van de Wht valt. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht geen aanvullende compensatie verleend voor de betaalde private schulden.
De studieschuld van de dochter van eiseres
12.10.
Volgens eiseres komt er mogelijk nieuwe wetgeving aan inzake vergoeding van de studieschuld van haar dochter. Ondanks een verzoek om aanhouding van een beslissing over die studieschuld, heeft Dienst Toeslagen onnodig voorbarig het verzoek van eiseres om vergoeding van deze schuld afgewezen.
12.11.
De rechtbank stelt vast dat de Wht op dit moment geen regeling kent voor bestuursrechtelijke schulden van een kind van gedupeerde ouders. Het is niet aan de Dienst Toeslagen om te anticiperen op eventuele toekomstige aanvullende regelingen. Het verzoek van eiseres om vergoeding hoefde dus niet te worden aangehouden. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht geen vergoeding toegekend voor de studieschuld van de dochter van eiseres.
Vergoeding van immateriële schade
12.12.
Eiseres heeft bij de definitieve compensatiebeschikking een vergoeding van immateriële schade toegekend gekregen van € 16.500,- en in het primaire besluit een aanvullende vergoeding van € 10.000,-, maar dat is volgens eiseres nog altijd te weinig. Deze hele toeslagaffairesituatie duurt inmiddels 20 jaar, waarvan zij zes jaar gevangen heeft gezeten in haar woning, afgesloten van haar familie en de buitenwereld. Er was sprake van huiselijk geweld en verwaarlozing. Door de schulden als gevolg van de teruggevorderde kinderopvangtoeslag kon zij niet vluchten uit deze situatie. Eiseres meent recht te hebben op een vergoeding van immateriële schade van € 100.000,- (haar kinderen ieder € 25.000,- en zijzelf € 50.000,-).
12.13.
In het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen erkend dat eiseres en haar kinderen door de problemen met de kinderopvangtoeslag veel stress, verdriet en schaamte hebben ervaren en dat daarom een hogere vergoeding dan de forfaitaire vergoeding in de definitieve compensatiebeschikking op zijn plaats is. Uit het advies van de CWS blijkt dat bij de bepaling van de omvang van de vergoeding van immateriële schade op basis van het toen geldende schadekader [10] rekening is gehouden met de aantasting in de persoon, van de eer en de goede naam, de jaren vanaf de negatieve kinderopvangtoeslagbeschikking en de gezinssamenstelling. Dit heeft geleid tot vaststelling van de vergoeding van immateriële schade op € 26.500,- (€ 21.500,- voor eiseres en € 2.500,- voor ieder kind), onder aftrek van de bij de definitieve compensatiebeschikking al toegekende € 16.500,-.
12.14.
De rechtbank stelt vast dat bij de bepaling van de vergoeding terecht is meegewogen dat eiseres aanzienlijke bedragen heeft moeten terugbetalen aan kinderopvangtoeslag in verhouding tot haar inkomen, terwijl zij er als werkende moeder met twee minderjarige kinderen alleen voor stond, dat deze problematiek, de procedures daarover en dwangverrekeningen een verminderde kwaliteit van leven voor haar en haar kinderen heeft betekend. Ten tijde van deze situatie was sprake van huiselijk geweld door de toenmalige partner van eiseres en emotionele verwaarlozing en mishandeling van eiseres, wat leidde tot zware druk op het gezin. De oorzaak van dit huiselijk geweld is weliswaar, zoals de CWS terecht benoemt, het gevolg van handelingen van de toenmalige partner van eiseres, waarvoor de Dienst Toeslagen geen verantwoordelijkheid draagt. Dat betekent nog niet dat de zware omstandigheden waarin eiseres en haar kinderen in die periode leefden, niet relevant zijn in de beoordeling van de immateriële schade. Het feit dat de Dienst Toeslagen voor die specifieke omstandigheden niet verantwoordelijk is, neemt namelijk niet weg dat, gegeven voornoemde omstandigheden, de gevolgen van oplopende schulden vanwege teruggevorderde kinderopvangtoeslag meebrachten dat zij lange tijd niet konden ontsnappen uit deze situatie en die gevolgen daardoor extra zwaar hebben gewogen op eiseres en haar kinderen. De rechtbank is daarom van oordeel dat Dienst Toeslagen dit aspect onvoldoende heeft meegewogen bij de bepaling van de omvang van de immateriële schadevergoeding. Het bestreden besluit is op dit onderdeel daarom onvoldoende gemotiveerd.
12.15.
De Dienst Toeslagen heeft in reactie op de stelling van eiseres dat het schadekader van de CWS van 1 juli 2024 alsnog moet worden toegepast, ter zitting gesteld dat ook in lopende zaken bekeken zal worden of dit kader van invloed is op eerder afgegeven beschikkingen. De eveneens ter zitting ingenomen stelling van de Dienst Toeslagen, dat eiseres een eventuele herbeoordeling op basis van het nieuwe schadekader kan afwachten, volgt de rechtbank niet gezien het kader van de finale geschillenbeslechting. De omvang van de vergoeding van immateriële schade ligt immers in deze beroepszaak voor. Bij het herstel van het geconstateerde motiveringsgebrek dient de Dienst Toeslagen daarom ook het nieuwe schadekader te betrekken.
Conclusie en gevolgen
13. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
13.1.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten 'bestuurlijke lus'. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal de Dienst Toeslagen daartoe in de gelegenheid stellen. De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.
13.2.
De rechtbank zal de termijn waarbinnen de Dienst Toeslagen het gebrek kan herstellen bepalen op acht weken. Als de Dienst Toeslagen hiervan geen gebruik wil maken, dan dient de Dienst Toeslagen dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als de Dienst Toeslagen wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de Dienst Toeslagen. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting einduitspraak doen.
13.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat laatste betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt de Dienst Toeslagen in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te
herstellen binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming
van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen;
- draagt de Dienst Toeslagen op om, als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid
het gebrek te herstellen, dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak
aan de rechtbank mee te delen;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 10 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Artikel 7:13, zesde en zevende lid, van de Awb
6. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.
7. Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.
Wet hersteloperatie toeslagen(Wht)
Artikel 2.1, derde lid, van de Wht
Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend.
Artikel 2.2 van de Wht
De compensatie bestaat uit:
a. een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering;
b. een bedrag voor een bestuurlijke boete die is opgelegd op grond van artikel 40 ofPro 41 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor een verzuim of vergrijp betreffende de kinderopvangtoeslag;
c. een bedrag voor materiële schade;
d. een bedrag voor immateriële schade;
e. een bedrag voor invorderingskosten;
f. een bedrag voor proceskosten;
g. een rentevergoeding voor het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag of het beëindigen van de voorschotverlening kinderopvangtoeslag.
Artikel 2.3 van de Wht
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, is gelijk aan het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering en verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met:
a. een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente; of
b. een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b, is gelijk aan het bedrag van de bestuurlijke boete dat is betaald.
3. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel c, is gelijk aan de som van 25% van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, en 25% van het bedrag van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b.
4. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel d, is ongeacht het aantal berekeningsjaren waarop de compensatie betrekking heeft, gelijk aan € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar, met dien verstande dat het bedrag niet hoger is dan de som van de bedragen die overeenkomstig het eerste lid voor de berekeningsjaren zijn vastgesteld, zonder de verminderingen.
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel e, is gelijk aan de kosten die door de Belastingdienst/Toeslagen in rekening zijn gebracht en zijn betaald voor invorderingshandelingen in verband met de beschikking, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, met inbegrip van betaalde invorderingsrente.
6. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel f, is een forfaitair bedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, dat is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor 2, waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, verminderd met een reeds toegekende of nog te toe te kennen proceskostenvergoeding.
7. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel g, wordt berekend over het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, met overeenkomstige toepassing van artikel 27 vanPro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en verminderd met rente die is vergoed op grond van een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan.
8. De bedragen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, worden vermeerderd met 1%.
9. Het bedrag van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade is de aanvullende werkelijke schade, bedoeld in artikel 2.1, derde lid, vermeerderd met 1%.
Artikel 5.2, derde lid, van de Wht
De Belastingdienst/Toeslagen zendt de beschikking omtrent de toepassing van artikel 2.1 tot en met 2.4 aan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag tezamen met het advies van de betrokken commissie en de gegevens die direct ten grondslag liggen aan de beschikking. Indien de beschikking in het nadeel van de aanvrager van een kinderopvangtoeslag afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beschikking de reden voor die afwijking vermeld.