ECLI:NL:RBZWB:2025:8091

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
BRE 24/3918
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 4 Wet OBArt. 20 lid 3 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 1051 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag omzetbelasting fiscale eenheid en vertrouwensbeginsel afgewezen

Belanghebbende B.V. is door de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 2015, inclusief belastingrente. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

De kern van het geschil betreft de vraag of belanghebbende en de stichting een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormen. De rechtbank oordeelt dat hoewel sprake is van economische verwevenheid, de financiële verwevenheid ontbreekt omdat de stichting niet de meerderheid van de zeggenschapsrechten heeft. Dit wordt mede bepaald door een geschillenregeling die het opleggen van de wil van de stichting aan belanghebbende verhindert.

Daarnaast stelt belanghebbende dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat de inspecteur aanvankelijk een beschikking gaf waarin de fiscale eenheid werd erkend. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet alle relevante feiten kende doordat belanghebbende de samenwerkings- en aandeelhoudersovereenkomst niet heeft verstrekt. Hierdoor kon geen redelijk vertrouwen op de toezegging worden ontleend.

De naheffingsaanslag en belastingrente zijn volgens de rechtbank terecht opgelegd. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag inclusief belastingrente blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/3918

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., statutair gevestigd in [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. F.M. Soetens),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 51.292 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde, [naam 3] en mr. F.J. Manzoni en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Van hetgeen ter zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen zal verzenden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. In het bijzonder beoordeelt de rechtbank of belanghebbende en [stichting] behoren tot een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, vierde lid van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) waardoor geen omzetbelasting in rekening gebracht dient te worden voor onderlinge prestaties. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of de inspecteur in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Belanghebbende en [stichting] behoren niet tot een fiscale eenheid. De inspecteur heeft niet in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is op 3 februari 2009 opgericht.
4.1.
[stichting] houdt 51% van de aandelen en de daarbij behorende stemrechten in belanghebbende. [bv] houdt 49% van de aandelen en de daarbij behorende stemrechten in belanghebbende.
4.2.
In 2015 was [stichting] de enig bestuurder van belanghebbende.
4.3.
Belanghebbende verzorgt tegen vergoeding facilitaire diensten (schoonmaak) voor [stichting] . Vóór de oprichting van belanghebbende werden de schoonmaakwerkzaamheden bij [stichting] op [locatie 1] verricht door eigen personeel dat in loondienst was van [stichting] en op [locatie 2] door de dochtervennootschap van [bv] .
4.4.
Op 3 februari 2009 hebben [stichting] en [bv] een samenwerkings- en aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Hierin verplichten zij zich tot een nauwe samenwerking ten behoeve van de gezamenlijke uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden op beide locaties van het ziekenhuis van [stichting] . In de aandeelhouders- en samenwerkingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“10. Geschillenregeling
10.1
Indien tussen [stichting] en [bv] geschillen mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst of daarmee samenhangende overeenkomsten, zullen partijen eerst trachten deze geschillen in goed onderling overleg op te lossen.
10.2
Indien deze geschillen niet overeenkomstig het bepaalde in lid 1 van dit artikel door partijen in onderling overleg worden opgelost, zullen die geschillen op verzoek van de meest gerede partij, met uitsluiting van de gewone rechterlijke macht worden beslecht door arbitrage. Het scheidsgerecht zal bestaan uit drie arbiters, waarbij [stichting] en [bv] ieder één arbiter benoemen en beide aldus aangewezen arbiters vervolgens gezamenlijk een derde arbiter als voorzitter van het scheidsgerecht benoemen. Indien beide door partijen benoemde arbiters niet binnen een termijn van één maand overeenstemming hebben bereikt over de benoeming van de derde arbiter als voorzitter van het scheidsgerecht, zal deze voorzitter op verzoek van de meest gerede partij door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank te ’s-Hertogenbosch worden benoemd.
10.3
Het ingevolgde artikel 10.2 benoemde scheidsgerecht is bevoegd om in alle gevallen waarin uit hoofde van onverwijlde spoed, gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, op verzoek van een der partijen, in elke stand van het geding in arbitraal kort geding vonnis wijzen. Deze bevoegdheid omvat tevens de bevoegdheid om zekerheidstelling te gelasten ten behoeve van de partij die dat vordert, in een door het scheidsgerecht te bepalen vorm terzake van iedere vordering of tegenvordering alsmede terzake van kosten verband houdende met de arbitrage ten gronde. Een uitspraak in kort geding geldt als een arbitraal vonnis in de zin van artikel 1051 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De beslissing bij voorraad prejudicieert op geen enkele wijze het uiteindelijke oordeel van het scheidsgerecht ten aanzien van de zaak ten gronde.”
4.5.
De statuten van belanghebbende vermelden onder meer het volgende:
Artikel 17
Beperkingen van de bestuursbevoegdheid
17.1
De Directie behoeft de goedkeuring van de Algemene Vergadering voor besluiten strekkende tot:
a. de vaststelling of wijziging van de jaarlijkse begroting en de business- en beleidsplannen;
b. de oprichting alsmede de vaststelling van de statuten van een nieuwe rechtspersoon
c. het aangaan of verbreken van een duurzame rechtstreekse of middellijke samenwerking met andere rechtspersonen, indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is;
d. uitgifte en verkrijging van schuldbrieven ten laste van de vennootschap alsmede het doen van beleggingen anders dan het plaatsen van gelden op spaar- of depositorekeningen;
e. het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, alsmede tot het aangaan van overeenkomsten waarbij de vennootschap zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt;
f. het aanvragen van faillissement of surséance van betaling van de vennootschap;
g. de beëindiging van de dienstbetrekking van een aanmerkelijk aantal werknemers van de vennootschap tegelijkertijd of binnen een kort tijdsbestek, in de zin van de Wet Melding Collectief Ontslag;
h. een ingrijpende wijziging van de arbeidsomstandigheden of functies van een aanmerkelijk aantal werknemers van de vennootschap;
i. het aangaan van geldleningen boven een bij besluit van de Algemene Vergadering bepaalde limiet binnen een bepaalde periode;
j. het verlenen, wijzigen en intrekken van procuratie.
Het ontbreken van een ingevolge dit artikel vereiste goedkeuring tast de vertegenwoordigings-bevoegdheid, als bedoeld in artikel 16 lid Pro 1, niet aan.
17.2
De Directie dient zich te gedragen naar de aanwijzingen van de Algemene Vergadering betreffende de algemene lijnen van het te voeren financiële, sociale, economische en personeelsbeleid.”
4.6.
Bij brief van 25 mei 2009 hebben [stichting] en belanghebbende de inspecteur verzocht om de fiscale eenheid voor de omzetbelasting [stichting] (de fiscale eenheid) uit te breiden met belanghebbende. Op verzoek van de inspecteur is een afschrift van de statuten van belanghebbende verzonden aan de inspecteur.
4.7.
De inspecteur heeft bij beschikking van 17 juni 2009 (de beschikking) belanghebbende toegevoegd aan de fiscale eenheid.
4.8.
Bij brief van 16 januari 2012 heeft de inspecteur [stichting] verzocht om diverse stukken over te leggen om de omvang van de fiscale eenheid te kunnen beoordelen. Partijen hebben hierover geruime tijd gecorrespondeerd. De inspecteur heeft hierna het standpunt ingenomen dat belanghebbende van begin af aan geen onderdeel is van de fiscale eenheid. De inspecteur heeft vervolgens (onder meer) de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Vormen belanghebbende en [stichting] in 2015 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting?
5. In Nederland gevestigde lichamen die ondernemer zijn en die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig met elkaar zijn verweven, dat zij een eenheid vormen, worden aangemerkt als één ondernemer. [1] Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende en [stichting] in Nederland zijn gevestigd, dat zij beiden ondernemer zijn voor de omzetbelasting en dat zij in economisch opzicht met elkaar zijn verweven. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende en [stichting] ook in financieel en organisatorisch opzicht zodanig met elkaar zijn verweven, dat zij een eenheid vormen.
Is sprake van financiële verwevenheid?
5.1.
Belanghebbende stelt dat sprake is van financiële verwevenheid omdat [stichting] 51% van de aandelen en de daarbij behorende stemrechten houdt in belanghebbende. Daarnaast stelt belanghebbende dat om te voldoen aan de eis van de financiële verwevenheid, er niet ook een meerderheid van de zeggenschapsrechten hoeft te zijn. De inspecteur voert echter aan dat [stichting] niet beschikt over de meerderheid van de materiële zeggenschap in belanghebbende en dat daarom geen sprake is van financiële verwevenheid.
5.2.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 22 februari 1989 het volgende beslist:
“Voor verwevenheid in financieel opzicht geldt de voorwaarde dat ten minste de meerderheid van de aandelen in elk van de vennootschappen – daaronder begrepen de zeggenschap – middellijk of onmiddellijk in dezelfde handen is.” [2] De rechtbank legt deze door de Hoge Raad verwoorde eis zo uit dat beoordeeld moet worden of [stichting] in staat is aan belanghebbende haar wil op te leggen. Vast staat dat [stichting] de meerderheid van de aandelen in belanghebbende houdt. In geschil is onder meer de vraag of [stichting] de meerderheid van de zeggenschapsrechten in belanghebbende heeft.
5.3.
Uit de statuten van belanghebbende volgt dat de bestuurder van belanghebbende een deel van zijn bevoegdheden niet mag uitoefenen zonder toestemming van de algemene vergadering van aandeelhouders (zie 4.5). Daardoor is naar het oordeel van de rechtbank een betekenend deel van de bevoegdheden van de bestuurder aan goedkeuring door de algemene vergadering van aandeelhouders onderworpen. Uit artikel 10 van Pro de samenwerkings- en aandeelhoudersovereenkomst tussen [stichting] en [bv] volgt een geschillenregeling (zie 4.4). Gelet op die geschillenregeling kan [stichting] naar het oordeel van de rechtbank niet haar wil opleggen aan [bv] met betrekking tot de in de statuten genoemde beslissingen. [bv] kan zich op ieder moment beroepen op de geschillenregeling indien sprake is van een geschil omdat bijvoorbeeld haar belangen en die van [stichting] uiteenlopen. Het is dan niet [stichting] , maar het scheidsgerecht dat de doorslag geeft bij het bepalen van het beleid. Anders dan belanghebbende betoogt, valt uit de tekst van de geschillenregeling niet af te leiden dat er sprake moet zijn van een andere omstandigheid dan een geschil voor het inroepen van de geschillenregeling. De geschillenregeling betreft namelijk alle geschillen die kunnen ontstaan naar aanleiding van de samenwerkings- en aandeelhoudersovereenkomst of daarmee samenhangende overeenkomsten. Ook valt uit die regeling niet af te leiden dat het scheidsgerecht slechts kan besluiten tot gedwongen uittreding, uitstoting of overgang van stemrechten zoals belanghebbende stelt. Het scheidsgerecht wordt benoemd om het geschil te beslechten. De wijze waarop het geschil wordt beslecht is niet voorgeschreven. Gesteld noch gebleken is hoe iets anders uit de context van de overeengekomen geschillenregeling valt af te leiden. De tussen [stichting] en [bv] overeengekomen geschillenregeling is dan ook meeromvattend dan de geschillenregeling die volgt uit artikel 2:336 en Pro volgende artikelen van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op die geschillenregeling kan [stichting] naar het oordeel van de rechtbank haar wil niet opleggen aan belanghebbende.
5.4.
Uit het voorgaande volgt dat aan de eis van de financiële verwevenheid niet wordt voldaan. Aangezien de financiële, organisatorische en economische verwevenheden cumulatieve vereisten voor een fiscale eenheid zijn, hoeft de eis van de organisatorische verwevenheid niet meer behandeld te worden. Belanghebbende en [stichting] vormen geen fiscale eenheid voor de omzetbelasting.
Is sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel?
6. Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden door de inspecteur. De inspecteur zou, door middel van het afgeven van de beschikking, het vertrouwen hebben gewekt dat belanghebbende en [stichting] voldoen aan de voorwaarden om een fiscale eenheid te vormen. Ter zitting heeft belanghebbende aangegeven dat haar beroep op het evenredigheidsbeginsel en op het voortvarendheidsbeginsel in het licht van het vertrouwensbeginsel moet worden gezien. De inspecteur betwist dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Niet alle relevante feiten waren door belanghebbende aan de inspecteur bekend gemaakt bij het vaststellen van de beschikking.
6.1.
Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt indien de inspecteur een als toezegging op te vatten expliciete uitlating heeft gedaan, waaraan belanghebbende vertrouwen heeft mogen ontlenen. Daartoe is vereist dat de inspecteur de toezegging heeft gedaan na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval, en de belastingplichtige aan die uitlatingen het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus in zijn geval aan wettelijke, dan wel andere door hem in acht te nemen algemene regels een bepaalde toepassing zal geven. Bovendien is vereist dat de uitlating niet zo duidelijk in strijd is met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende redelijkerwijs de onjuistheid daarvan had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen. [3]
6.2.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur, door middel van de beschikking, een als toezegging op te vatten expliciete uitlating heeft gedaan. In geschil is het antwoord op de vraag of de beslissing door de inspecteur is genomen na kennisneming van alle relevante feiten en omstandigheden. Belanghebbende heeft bij het verzoek geen stukken overgelegd. Op verzoek van de inspecteur heeft belanghebbende wel de statuten van belanghebbende overgelegd. Belanghebbende heeft de samenwerkings- en aandeelhoudersovereenkomst niet verstrekt, terwijl belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank had moeten beseffen dat deze stukken relevant zijn voor de beoordeling of voldaan is aan de vereisten voor een fiscale eenheid. De inspecteur kon niet van het bestaan van deze stukken weten en hoefde deze stukken dus ook niet op te vragen bij belanghebbende. Nu de inspecteur niet bekend was met alle feiten en omstandigheden van het geval en dit te wijten is aan het nalaten van het verstrekken van stukken door belanghebbende, slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel in zoverre niet. Ook de omstandigheid dat het onderzoek en het opleggen van de naheffingsaanslag lang heeft geduurd, leidt niet tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft namelijk al in 2012 vragen gesteld met betrekking tot het bestaan van een fiscale eenheid en heeft de naheffingsaanslag binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar opgelegd. [4] Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur in die periode, na kennisneming van alle relevante feiten en omstandigheden, een als toezegging op te vatten expliciete uitlating heeft gedaan dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd.
6.3.
Gelet op het vorenstaande is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Voor dat geval is niet in geschil dat de naheffingsaanslag naar het juiste bedrag is opgelegd.
Belastingrente
7. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, voorzitter, en mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. S.B. Cornielje, leden, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, op 19 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 7, vierde lid, van de Wet OB.
2.Hoge Raad 22 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC3993, r.o. 4.5.
3.Vgl. Hoge Raad 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:269, r.o. 4.6.2. tot en met 4.6.4.
4.Artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.