De verzoeker was van 1 augustus 2015 tot 31 mei 2016 in dienst bij de hockeyclub als trainer/coach op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Na afloop van deze periode is niet komen vast te staan dat deze overeenkomst stilzwijgend is verlengd, ondanks dat verzoeker werkzaamheden bleef verrichten.
Vanaf het seizoen 2018/2019 verrichtte verzoeker opnieuw trainings- en coachingswerkzaamheden, waarvoor hij vergoedingen ontving die binnen de fiscale grenzen van vrijwilligersvergoedingen vielen. De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een gezagsverhouding tussen partijen en dat de betalingen niet als loon kunnen worden aangemerkt.
Daarom is geen sprake van een arbeidsovereenkomst en kunnen de vorderingen tot loonbetaling, ontbinding van de arbeidsovereenkomst, transitievergoeding en billijke vergoeding niet worden toegewezen. De proceskosten worden aan verzoeker opgelegd.