ECLI:NL:RBZWB:2025:8139

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
11793475 AZ VERZ 25-48 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • mr. Mulders
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen arbeidsovereenkomst tussen hockeytrainer en hockeyclub; afwijzing verzoek om loon en ontbinding

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 20 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een hockeytrainer, hierna te noemen verzoeker, en de hockeyclub, hierna te noemen gedaagde. Verzoeker verzocht de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden en om betaling van achterstallig loon, een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kern van het geschil was of er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en gedaagde. De kantonrechter oordeelde dat er geen arbeidsovereenkomst bestond, omdat de vereiste gezagsverhouding en loon ontbraken, zoals vastgelegd in artikel 7:610 BW. Verzoeker had weliswaar werkzaamheden verricht voor gedaagde, maar deze werden gekwalificeerd als vrijwilligerswerk. De kantonrechter concludeerde dat de eerdere arbeidsovereenkomst van verzoeker, die eindigde op 31 mei 2016, niet stilzwijgend was verlengd. De verzoeken van verzoeker om loon, ontbinding van de arbeidsovereenkomst en vergoedingen werden afgewezen. De proceskosten werden aan verzoeker opgelegd, omdat hij ongelijk kreeg in deze procedure.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 11793475 \ AZ VERZ 25-48
Beschikking van 20 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. N. Verweij,
tegen
DE VERENIGING [gedaagde],
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.M.A. Koole.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties 1 t/m 14,
- de akte van depot, tevens houdende uitlaten producties van [verzoeker] ,
- het verweerschrift, met producties 1 t/m 17,
- de akte wijziging van eis, met aanvullende producties 16 en 17,
- de brief van [gedaagde] met aanvullende productie 18,
- de brief van [gedaagde] met aanvullende productie 19,
- de mondelinge behandeling van 23 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, met daaraan gehecht de pleitnotities van beide gemachtigden.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Krachtens schriftelijke arbeidsovereenkomst is [verzoeker] per 1 augustus 2015 voor de duur van 10 maanden in dienst getreden bij [gedaagde] , in de functie van trainer/coach, tegen een salaris van € 450,- netto per maand. In de arbeidsovereenkomst is vermeld dat deze van rechtswege zal eindigen op 31 mei 2016, dat van beide zijden in principe de intentie bestaat om na deze datum een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan en dat partijen daarover in januari 2016 in gesprek zullen gaan.
2.2.
Op 18 augustus 2022 heeft de voorzitter van [gedaagde] een emailbericht met de volgende inhoud toegezonden aan [verzoeker] :
“Zoals besproken ontvang jij voor jouw totale werkzaamheden binnen [gedaagde] in seizoen 2022-2023 de maximale vrijwilligersvergoeding ad € 1.800. Dit wordt in 10 termijnen van
€ 180 in de periode september tot en met juni uitbetaald op jouw bankrekening.
Ik kom medio volgende week bij je terug op vorig seizoen en je mag verwachten dat we hiervoor nog een deel compensatie zullen betalen. De hoogte hiervan is niet aan te geven zoals toegelicht.”
2.3.
Op 20 augustus 2022 heeft [verzoeker] per e-mailbericht gereageerd op het bericht van de voorzitter van [gedaagde] . Daarin schreef hij, voor zover relevant, het volgende:
‘‘De afgelopen 8 seizoenen heb ik me met veel toewijding, energie, passie en plezier ingezet voor Dames 3. Van deze 8 seizoenen heb ik een aantal seizoenen volledig vrijwillig gedraaid en dus geen vergoeding gekregen. Het zou de club enorm sieren om de vergoeding van afgelopen seizoen gelijk te trekken met komend seizoen. Zeker gezien de identieke activiteiten lijkt dit me zeer passend. Wat hierin meegenomen mag worden is dat ik me naast Dames 3 ook inzet voor overige teams waar nodig.
Zoals afgelopen donderdag besproken is de maximale vrijwilligersvergoeding niet te vergelijken wat omliggende clubs voor een trainer van Dames 2/3 met een HT2 + HT3 diploma bieden. Daarentegen heb ik van je begrepen dat de club na corona en de geringe sponsorinkomsten er wat minder financieel voorstaat en dat het lastig is om te concurreren met omliggende clubs. Dit respecteer ik en zal daarom geen concurrerende vergoeding vragen. Desondanks ben ik van mening dat we in moeten zetten op de lange termijn en dat is al mogelijk met een geringe financiële vergoeding.
Wellicht is het bovenstaande overbodig als er al wordt gekozen voor eenzelfde vergoeding als volgend seizoen maar mocht dat niet het geval zijn, zou je dan deze informatie volgende week mee willen nemen in het gesprek met de penningmeester?”
2.4.
Op 15 november 2022 hebben [gedaagde] en [verzoeker] een document ondertekend waarin afspraken zijn gemaakt voor de betaling van trainersvergoedingen. De afspraken luiden als volgt:
“ [gedaagde] en [verzoeker] maken de volgende afspraken over de
(trainers)vergoedingen:
1. Seizoen 2022-2023 een bedrag van € 1.800 (in 10 termijnen van € 180) voor Dames 3
2. Seizoen 2022-2023 een bedrag van € 450 voor de trainingen van een juniorenteam gebaseerd op twee trainingen per week. Indien een training per week wordt gegeven dan is het bedrag € 225. Dit bedrag wordt in een keer aan het einde van het seizoen uitbetaald.
3. [verzoeker] ontvangt een nabetaling voor seizoen 2021-2022 ter grootte van € 900. Dit bedrag wordt uitbetaald in twee termijn van € 450, te weten in november 2022 en in februari 2023.
4. [verzoeker] mag voor € 300 kleding/hockeyaccessoires besteden en de kosten hiervan worden na
overlegging van een factuur door [gedaagde] aan [verzoeker] vergoed (in seizoen 2022-2023).”
2.5.
In de periode van 2020 tot en met 2025 heeft [gedaagde] de volgende bedragen betaald aan [verzoeker] :
Datum
Bedrag
Aard vergoeding
30 juni 2020
€ 225,00
Trainersvergoeding D3
30 juni 2021
€ 300,00
Trainersvergoeding D3
24 juli 2022
€ 350,00
Diverse vergoeding
18 augustus 2022
€ 175,00
Training meisjes A seizoen 2021-2022
15 november 2022
€ 450,00
Nabetaling seizoen 2021-2022
25 december 2022
€ 180,00
Trainersvergoeding 2022-2023 Dames 3 maandelijkse termijn
25 januari 2023
€ 180,00
Trainersvergoeding 2022-2023 Dames 3 maandelijkse termijn
6 februari 2023
€ 325,00
Diverse vergoeding [naam]
6 februari 2023
€ 425,00
Nabetaling seizoen 2021-2022 (tweede termijn) [bedrijf]
25 februari 2023
€ 180,00
Trainersvergoeding 2022-2023 Dames 3 maandelijkse termijn
25 maart 2023
€ 180,00
Trainersvergoeding 2022-2023 Dames 3 maandelijkse termijn
25 april 2023
€ 180,00
Trainersvergoeding 2022-2023 Dames 3 maandelijkse termijn
25 mei 2023
€ 180,00
Trainersvergoeding 2022-2023 Dames 3 maandelijkse termijn
2024
€ 0,00
2025
€ 0,00
2.6.
In 2024 hebben [gedaagde] en [verzoeker] opnieuw contact over het verrichten van trainerswerkzaamheden bij [gedaagde] . Op 19 september 2024 stuurt [verzoeker] een e-mail met de volgende inhoud aan [gedaagde] :
“Hartelijk dank voor de update.Wat heb je in gedachte betreft de vergoeding van de resteren uren/werkzaamheden?”
2.7.
[gedaagde] heeft diezelfde dag als volgt gereageerd op de e-mail van [verzoeker] :
“1950 euro voor het trainen van heren 4, 2x keer per week en 1x per week A2…… gene idee of je ook H4 wilt coachen, maar dan kan ik wellicht naar de max vrijwilligersvergoeding gaan van 2100”
2.8.
Op 25 september 2024 stuurt [verzoeker] de volgende e-mail naar [gedaagde] :
“Dank voor je bericht.Gezien mijn arbeidscontract bij [gedaagde] voor 16 uur per week vind ik het vreemd dat je het hebt over een vrijwilligersvergoeding.Ik zou je daarom willen vragen om de vergoeding voor de werkzaamheden te herzien.
Ik hoor graag van je.”
2.9.
[gedaagde] heeft per e-mail van 26 september 2024 als volgt gereageerd op laatstgenoemd bericht van [verzoeker] :
“Ik heb geen idee over welk arbeidscontract je het hebt of denkt te hebben. Voor zover mij bekend bestaat er geen arbeidscontract tussen [gedaagde] en jou. Ben niet erg gecharmeerd van hetgeen je wellicht nu mij hebt proberen te ontlokken.”

3.Het geschil

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, na wijziging van het verzoek, de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [gedaagde] , dan wel wegens tekortkoming in de nakoming door [gedaagde] , en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van (primair):
- € 69.576,77 bruto aan achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente,
- een transitievergoeding van € 4.019,81 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente,
- een billijke vergoeding van € 53.677,50 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente,
- de buitengerechtelijke kosten van € 1.384,53,
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] voert daartoe het volgende aan. De tussen hem en [gedaagde] gesloten arbeidsovereenkomst is na 31 mei 2016 stilzwijgend verlengd. [gedaagde] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door de arbeidsrelatie bewust onjuist te kwalificeren als vrijwilligerswerk, terwijl aan alle elementen van een arbeidsovereenkomst werd voldaan. Daarnaast heeft [gedaagde] stelselmatig nagelaten het juiste loon te betalen. [verzoeker] werd jarenlang betaald als vrijwilliger, terwijl hij op basis van zijn werkzaamheden, verantwoordelijkheden en positie recht had op een regulier salaris. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde] bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst een transitievergoeding en een billijke vergoeding verschuldigd is.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [gedaagde] voert ‑ samengevat ‑ aan dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar van een vrijwilligersovereenkomst. Er wordt niet voldaan aan de toets van 7:610 BW, zodat van een arbeidsovereenkomst ook geen sprake kan zijn. Doordat er geen arbeidsovereenkomst is, valt er ook niets te ontbinden. Voor de vorderingen met betrekking tot achterstallig loon, transitievergoeding en billijke vergoeding geldt daarmee dat een grondslag ontbreekt.
3.4.
De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover van belang, nader worden besproken.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst, of die arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden, of [verzoeker] aanspraak kan maken op een billijke vergoeding en een transitievergoeding, en of [gedaagde] aan [verzoeker] nog achterstallig loon verschuldigd is. Deze vragen dienen allemaal ontkennend te worden beantwoord. Hieronder wordt uitgelegd waarom dat zo is.
Toetsingskader
4.2.
Artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
4.3.
De beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet volgens de rechtspraak van de Hoge Raad [1] worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf [2] . Vastgesteld moet worden welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst worden aangemerkt. Voor die kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien.
4.4.
Aangezien [verzoeker] zich beroept op het rechtsgevolg van zijn stelling dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat, ligt het op zijn weg om ter zake de daarvoor vereiste elementen te stellen en zo nodig te bewijzen.
Geen stilzwijgende verlenging arbeidsovereenkomst 2015/2016
4.5.
De primaire stelling van [verzoeker] is dat de op 1 augustus 2015 tussen partijen tot stand gekomen arbeidsovereenkomst na 31 mei 2016 stilzwijgend is verlengd omdat de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de termijn door partijen zonder tegenspraak is voortgezet [3] . In dat kader heeft [verzoeker] gesteld dat hij na deze periode training is blijven geven en heeft hij erop gewezen dat een aanzegging als bedoeld in lid 1 van voornoemd artikel door [gedaagde] niet heeft plaatsgevonden.
4.6.
Ter onderbouwing van de stelling dat [verzoeker] zijn arbeidswerkzaamheden heeft voortgezet, heeft hij ter zitting enkele videoafbeeldingen getoond waaruit blijkt dat hij in de periode 2017/2018 bij [gedaagde] op het hockeyveld heeft gestaan. Daarnaast heeft hij een aantal aantekeningen uit zijn speelboek, whatsappberichten en een verklaring van een speelster overgelegd. Aan de hand van deze beelden en stukken kan echter niet de conclusie worden getrokken dat [verzoeker] in dat seizoen op structurele basis trainingswerkzaamheden heeft verricht en dat hij dit deed in opdracht van [gedaagde] . Ook heeft [verzoeker] in 2017 een factuur voor trainingen aan de teammanager van het team dat hij trainde gestuurd. Zij heeft deze factuur op persoonlijke titel aan [verzoeker] betaald. Daarna heeft de teammanager aan [gedaagde] gevraagd of zij deze wilde vergoeden en [gedaagde] heeft dat geaccordeerd. Naar het oordeel van de kantonrechter betreft dit geen werkwijze die voortvloeit uit een opdracht van [gedaagde] tot het verrichten van werkzaamheden. Daar komt bij dat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat het binnen de hockeykringen gebruikelijk is dat er informeel trainingen worden gegeven aan individuele teams, bijvoorbeeld wanneer de eigen coach van dat team verhinderd is en het team op eigen initiatief een andere coach benadert. Aldus kan niet worden vastgesteld dat [verzoeker] zijn werkzaamheden in opdracht van [gedaagde] continuerend is blijven uitvoeren en dat partijen, in het verlengde daarvan, de arbeidsovereenkomst stilzwijgend hebben voortgezet.
4.7.
Dat [gedaagde] niet aan haar schriftelijke aanzegverplichting heeft voldaan, heeft evenmin tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst in stand is gebleven. Daar komt nog bij dat op de laatste loonstrook van [verzoeker] van mei 2016, “datum uit dienst 31-5-2016” wordt vermeld. Dit, alsmede het feit dat [verzoeker] daarna geen loonstroken en geen loon meer heeft ontvangen en daar kennelijk niet tegen heeft geprotesteerd, duidt erop dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst op 31 mei 2016 is geëindigd. Indien [verzoeker] van mening was dat zijn dienstverband bij [gedaagde] door bleef lopen, dan had het op zijn weg gelegen daartegen in protest te komen. Dat hij dit heeft nagelaten, duidt erop dat [verzoeker] destijds kennelijk ook van mening was dat de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] was geëindigd.
4.8.
Gelet op het bovenstaande kan dus niet worden geconcludeerd dat de arbeidsovereenkomst na 31 mei 2016 is voortgezet.
Werkzaamheden vanaf seizoen 2018/2019: wel arbeid, geen gezag en geen loon
4.9.
Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] vanaf seizoen 2018/19 is begonnen met trainen/coachen van team Dames 3, maar verschillen van mening of deze werkzaamheden gelden als vrijwilligerswerk, of dat deze werkzaamheden zijn uitgeoefend uit hoofde van een arbeidsovereenkomst.
4.10.
Zoals hiervoor benoemd, dient voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, eerst aan de hand van de Haviltexmaatstaf te worden vastgesteld welke rechten en plichten partijen zijn overeengekomen. In onderhavig geval hebben partijen geen schriftelijke overeenkomst of andere weergave van gemaakte afspraken overgelegd en hebben zij beiden een andere visie over de wijze waarop de werkzaamheden door [verzoeker] werden ingevuld, en in hoeverre [verzoeker] dan wel [gedaagde] daarin zeggenschap heeft gehad. Uit de stellingen van partijen maakt de kantonrechter op dat [verzoeker] de training- en coaching van (in ieder geval) Dames 3 gedurende het gehele seizoen heeft verzorgd, en dat hij daarvoor op 28 juni 2019 een trainersvergoeding (van een voor de kantonrechter onbekende hoogte) heeft ontvangen. In de periode daarna zijn door [gedaagde] aan [verzoeker] vergoedingen uitgekeerd zoals opgenomen in het schema van r.o. 2.5. Aan de hand daarvan stelt de kantonrechter vast dat partijen zijn overeengekomen dat [verzoeker] vanaf 2018/19 trainings- en coachingswerkzaamheden zou verrichten voor [gedaagde] , tegen betaling van een vergoeding door [gedaagde] .
4.11.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of aan de hand de rechten en plichten van partijen de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst.
4.12.
Naar het oordeel van de kantonrechter dienen de door [verzoeker] voor [gedaagde] uitgevoerde trainerswerkzaamheden te worden aangemerkt als persoonlijk te verrichten arbeid in de zin van artikel 7:610 BW. [gedaagde] heeft weliswaar weersproken dat hiervan sprake was omdat [verzoeker] zich gemakkelijk en zonder toestemming kon laten vervangen door een andere trainer, maar uit de door partijen geschetste gang van zaken volgt dat dit enkel op incidentele basis gebeurde. Het uitgangspunt was dat [verzoeker] , of welke trainer dan ook bij een team werd ingedeeld, de werkzaamheden persoonlijk en voor het gehele seizoen verrichte.
4.13.
[gedaagde] heeft bestreden dat sprake is (geweest) van een gezagsverhouding tussen partijen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [verzoeker] volledige vrijheid had bij de uitvoering van zijn werkzaamheden en dat van hiërarchische aansturing of instructiebevoegdheid geen sprake was. Volgens [gedaagde] stelde [verzoeker] de trainingen zelfstandig samen, en werd er geen toezicht gehouden op de wijze waarop [verzoeker] dat deed. [verzoeker] heeft daar te weinig tegenin gebracht, zodat het tegendeel niet is gebleken. Hij heeft weliswaar gesteld dat er regelmatig evaluaties plaatsvonden, maar hij heeft, na betwisting van die stelling door [gedaagde] , niet toegelicht met wie en met welk doel deze evaluaties plaatsvonden. Evenmin is gesteld of gebleken dat de gezagsverhouding tussen [gedaagde] en [verzoeker] hetzelfde was als tijdens de arbeidsovereenkomst in 2015/16. Dat sprake is van een gezagsverhouding is daarmee niet vast komen te staan.
4.14.
Ten aanzien van het element loon heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij structureel betalingen ontving voor zijn werkzaamheden bij [gedaagde] en dat er sprake was van continuïteit in die betalingen. Hij verwijst voorts naar de brief van [gedaagde] van 15 november 2022 en het op 20 juli 2023 gewijzigd voorstel, waarin [gedaagde] aan [verzoeker] een aanbod doet voor € 20,- per uur. Volgens [gedaagde] betroffen de betalingen aan [verzoeker] geen loon, maar vrijwilligersvergoedingen en zat er geen continuïteit in de betalingen.
4.15.
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van loon, gaat de kantonrechter uit van het door [verzoeker] verstrekte betalingsoverzicht (r.o. 2.5). Uit dit overzicht volgt dat de in de periode van 2020 t/m 2025 aan [verzoeker] betaalde vergoedingen steeds binnen de fiscale normen van de vrijwilligersvergoeding zijn gebleven. Daarnaast heeft [verzoeker] , zoals hij zelf aangeeft in zijn e-mail van 20 augustus 2022, een aantal seizoenen volledig vrijwillig gedraaid, hetgeen niet strookt met zijn stelling dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst uit hoofde waarvan op [gedaagde] een loonbetalingsverplichting rust. Overigens hebben partijen, zoals blijkt uit de door hen overgelegde correspondentie, gedurende de gehele samenwerking geen enkele keer gesproken over loon of salaris, maar telkens over vrijwilligers- of trainersvergoedingen. Eerst op 25 september 2024 geeft [verzoeker] aan dat hij het vreemd vindt dat er wordt gesproken over een vrijwilligersvergoeding, terwijl die term zowel door [gedaagde] als [verzoeker] zelf altijd is gebruikt. Aan de hand van de hierboven geschetste feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden vastgesteld dat sprake is (geweest) van betaling van loon. Partijen lijken dat simpelweg ook niet voor ogen te hebben gehad.
4.16.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [gedaagde] . Dit heeft tot gevolg dat de door [verzoeker] verzochte ontbinding en daarmee samenhangende vergoedingen zullen worden afgewezen.
4.17.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2025.

Voetnoten

1.Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746, Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443.
2.De Haviltexmaatstaf houdt in dat voor de uitleg van een overeenkomst niet alleen gekeken moet worden naar de taalkundige betekenis van een bepaling, maar ook naar de zin die partijen in de
3.Op grond van artikel 7:668 lid 4 sub b BW.