De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 21 november 2025 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van medeplegen van verkrachting op 30 januari 2024 in Oosterhout.
De officier van justitie stelde dat verdachte samen met een ander de aangeefster had verkracht, ondersteund door videobeelden en getuigenverklaringen. De verdediging betoogde dat verdachte geen seksuele handelingen had verricht en dat de verklaringen van getuigen en aangeefster inconsistent en onbetrouwbaar waren. Tevens verzocht de verdediging om het horen van de aangeefster, die onvindbaar bleek.
De rechtbank oordeelde dat het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen was. Verdachte was weliswaar aanwezig, maar er was geen bewijs dat hij seksuele handelingen had verricht of een wezenlijke bijdrage had geleverd aan de verkrachting. De verklaringen waren wisselend en getuigen konden verdachte niet belastend verklaren. De rechtbank sprak verdachte vrij en onttrok inbeslaggenomen goederen aan het verkeer.