Betrokkene werd een administratieve sanctie opgelegd voor het gebruik van een puntstuk op de Rijksweg A4/A58 te Bergen op Zoom op 21 maart 2023. Betrokkene betwistte de gedraging en stelde dat de sanctie ten onrechte aan hem werd opgelegd, onder meer omdat er geen reële mogelijkheid tot staande houding was geweest.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende was om de gedraging vast te stellen en dat betrokkene geen specifieke feiten had aangevoerd die twijfel aan deze verklaring rechtvaardigden. De boete was derhalve terecht opgelegd.
Echter, de kantonrechter stelde vast dat de redelijke termijn van berechting was overschreden met ruim vijf maanden, aangezien de boete op 31 maart 2023 werd opgelegd en de procedure tot 4 september 2025 duurde. Op grond hiervan werd de boete met 25% gematigd.
Daarnaast werd de officier van justitie opgedragen het teveel betaalde bedrag als zekerheidstelling terug te betalen en werd een proceskostenvergoeding toegekend aan betrokkene voor de fase bij de kantonrechter.
De beslissing van de officier van justitie werd aldus gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.