ECLI:NL:RBZWB:2025:8433

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
25/4881
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:82 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening wegens verlenging begunstigingstermijn

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta van 13 mei 2025 en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek werd ingetrokken nadat het dagelijks bestuur had laten weten de begunstigingstermijn te verlengen tot 1 mei 2026.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om proceskostenveroordeling van verzoekster beoordeeld. Omdat het bestuursorgaan met de verlenging van de begunstigingstermijn geheel aan het verzoek tegemoet is gekomen, is het bestuursorgaan gehouden de proceskosten te vergoeden.

Het dagelijks bestuur heeft niet gereageerd op het verzoek om proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat bij tegemoetkoming in het verzoek de proceskosten worden toegewezen.

De proceskosten bestaan uit één proceshandeling, het indienen van het verzoekschrift, met een waarde van €907,-. De voorzieningenrechter veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling van dit bedrag. Tevens wordt het griffierecht aan verzoekster terugbetaald omdat de werking van het besluit is opgeschort.

Uitkomst: Het dagelijks bestuur wordt veroordeeld tot betaling van €907,- proceskosten na verlenging van de begunstigingstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4881

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. R.H.U. Keizer),
en

Het dagelijks bestuur van waterschap Brabantse Delta.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het dagelijks bestuur in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek tegen het besluit van het dagelijks bestuur van 13 mei 2025. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 mei 2025.
1.1.
Zij heeft het verzoek ingetrokken omdat het dagelijks bestuur heeft laten weten de begunstigingstermijn te verlengen tot 1 mei 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het dagelijks bestuur in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het dagelijks bestuur heeft hierop niet gereageerd.
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
Is het dagelijks bestuur aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het dagelijks bestuur is met het verlengen van de begunstigingstermijn aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. [4] Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. [5] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het dagelijks bestuur met de verlenging van de begunstigingstermijn aan het verzoek van verzoekster is tegemoetgekomen. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het dagelijks bestuur in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient het dagelijks bestuur te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het dagelijks bestuur moet vergoeden € 907,- bedragen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat het dagelijks bestuur door de begunstigingstermijn te verlengen de werking van het besluit van 13 mei 2025 heeft opgeschort, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoekster terug. [6]

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het dagelijks bestuur tot betaling van € 907,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 2 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5.Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
6.Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.