3.1.Het college heeft deze tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de duur van tien jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning. Eiseres en andere omwonenden hebben tegen deze omgevingsvergunning bezwaarschriften ingediend. Het college heeft alle bezwaren ongegrond verklaard. Alleen eiseres heeft een beroepschrift ingediend.
4. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de tijdelijke omgevingsvergunning in stand gelaten omdat het project het woon- en leefklimaat van omwonenden niet onevenredig beïnvloedt en dus voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de duur van de omgevingsvergunning ambtshalve gewijzigd en heeft bepaald dat deze aanvangt vanaf de datum van verlening van de omgevingsvergunning. Het college heeft de algemene belangen en het belang van vergunninghouder zwaarder laten wegen dan het belang van eiseres.
5. Het bestreden besluit is tot stand gekomen op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Als voor de inwerkingtreding van de Ow een aanvraag om een besluit is ingediend, dan blijft op grond van artikel 4.3 van de Iw Ow het oude recht van toepassing, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag is ingediend op 14 november 2023. Dit betekent dat het oude recht van toepassing is.
Wat heeft eiseres aangevoerd?
6. Eiseres stelt ten eerste dat geen sprake (meer) is van een agrarisch bedrijf op het perceel omdat een agrarische hoofdactiviteit ontbreekt. In dit geval is namelijk geen sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf omdat uit de prognosecijfers blijkt dat het grootste deel van de inkomsten zal volgen uit horeca, de landwinkel en de tipitenten. Vergunninghoudster zou niet kunnen leven van de agrarische activiteit. In het verlengde hiervan heeft eiseres aangevoerd dat het college een agrarische adviescommissie had moeten inschakelen om te beoordelen of sprake is van een agrarisch bedrijf. Door het ontbreken van dit advies en omdat het woon- en leefklimaat wordt aangetast, is ook geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Ten slotte stelt eiseres dat geen tijdelijke omgevingsvergunning mocht worden verleend omdat in dit geval de wens bestaat om de vergunde activiteiten langer voort te zetten dan 10 jaar.
De ontvankelijkheid van het bezwaar
7. De rechtbank oordeelt dat het college het bezwaar van eiseres ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Het college heeft eiseres namelijk ten onrechte als belanghebbende aangemerkt. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is iemand in beginsel belanghebbende bij een omgevingsvergunning als hij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van dat besluit. Als correctie op dit uitgangspunt wordt het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ gehanteerd.Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Men onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de ABRvS naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat.