ECLI:NL:RBZWB:2025:8444

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
BRE 24-6662
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen last onder dwangsom wegens te late indiening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg waarin zijn bezwaar tegen het opleggen van een last onder dwangsom niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank beoordeelt of het beroep tijdig is ingediend.

De beroepschrifttermijn bedraagt zes weken en begint te lopen de dag na de bekendmaking van het besluit. Het bestreden besluit is op 26 juli 2024 verzonden. Eiser heeft aangevoerd dat hij het besluit pas na zijn vakantie op 8 of 9 augustus 2024 heeft gezien, maar heeft geen feiten gesteld die de verzenddatum betwisten. De rechtbank stelt vast dat de termijn op 27 juli 2024 is begonnen en op 6 september 2024 is geëindigd.

Eiser heeft het beroep op 9 september 2024 ingediend, dus te laat. Zijn reden dat hij op vakantie was en het besluit niet eerder kon zien, wordt niet als verontschuldiging aanvaard. De rechtbank benadrukt dat het de eigen verantwoordelijkheid van eiser is om tijdig over zijn post te beschikken. Omdat het beroep niet tijdig is ingediend en het te laat indienen niet verontschuldigbaar is, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en blijft het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verontschuldigbare reden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6662

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

drs. [eiser], uit [plaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van het college van 24 juli 2024. Bij dit besluit is het bezwaar van eiser, gericht tegen het opleggen van een last onder dwangsom, niet ontvankelijk verklaard.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [2] Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het beroep te laat ingediend?
4. Op het bestreden besluit van 24 juli 2024 staat de verzenddatum van 26 juli 2024.
4.1.
Eiser voert in zijn beroepschrift van 9 september 2024 aan dat het bestreden besluit pas op 5 augustus 2024 onder zijn aandacht is gekomen, omdat eiser op vakantie was van 22 juli tot en met 4 augustus 2024.
In de brief van 8 oktober 2024 voert eiser aan pas op 8 of 9 augustus 2024, na thuiskomst van zijn vakantie, het bestreden besluit voor het eerst te hebben gezien. Omdat eiser het besluit op 8 of 9 augustus 2024 voor het eerst heeft gezien, kan volgens eiser niet vastgesteld worden wanneer het besluit is genomen, verzonden en bezorgd. Op het besluit staat wel een stempel "verzonden 26 juli 2024", maar behalve de stempel an sich is niet op objectieve wijze vast te stellen of het document daadwerkelijk op 26 juli 2024 is verzonden. Indien de rechtbank wel van mening is dat het besluit op 26 juli 2024 is verzonden, dan wil eiser aanvoeren dat de beroepstermijn dient aan te vangen op 29 juli 2024. Dit is de eerstvolgende werkdag na de verzenddatum.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij het bestreden besluit heeft ontvangen. Daarnaast heeft eiser geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de verzending van het bestreden besluit op 26 juli 2024 kan worden betwijfeld.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de brief van 8 oktober 2024 vermeldt dat hij het besluit op 8 of 9 augustus 2024 voor het eerst heeft gezien. In het beroepschrift zegt hij het besluit op 5 augustus 2024 voor het eerst te hebben gezien. Wat hier ook van zij, eiser heeft het besluit kort na zijn vakantie gezien.
4.3.
Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift aanvangt op 27 juli 2024, zoals vermeld in artikel 6:8 van Pro de Awb, en eindigt op 6 september 2024.
4.6.
Eiser heeft op 9 september 2024 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
5. Eiser heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Eiser had voordat hij op vakantie is gegaan niet kunnen weten dat het college een besluit zou nemen en toesturen in zijn vakantieperiode. Als hij dat had geweten, had hij maatregelen kunnen nemen.
5.1
De door eiser genoemde reden is geen verontschuldiging voor dit verzuim. Dat eiser door afwezigheid in verband met vakantie pas later het besluit heeft gezien, is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser komt. Het is de eigen verantwoordelijkheid van eiser om tijdig over zijn post te beschikken en ervoor te zorgen dat tijdig een beroepschrift zou worden ingediend. Daarnaast staat in het bestreden besluit duidelijk vermeld dat eiser, als hij het niet eens is met het besluit, binnen zes weken in beroep kan gaan. De rechtbank gaat er vanuit dat eiser op 5 augustus 2024, zoals hij zelf aangeeft in zijn beroepschrift, kennis heeft genomen van het bestreden besluit. Eiser had dus nog ruim vier weken de tijd om alsnog, tijdig, beroep in te stellen. Dit beroep had ook pro forma kunnen worden ingesteld met het verzoek om later de beroepsgronden aan te vullen. Dat eiser dat niet heeft gedaan, dient voor zijn rekening en risico te blijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
G.A. Klop, griffier, op 28 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.