Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking voor 2024 en kreeg een kostenvergoeding van €80,87 toegekend door de heffingsambtenaar. Belanghebbende was het niet eens met de hoogte van deze vergoeding en ging in beroep bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde of sprake was van een 'bijzonder geval' zoals bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van januari en april 2025, waarbij een hoger kostenvergoedingstarief kan gelden. Belanghebbende en zijn gemachtigde slaagden er niet in aan te tonen dat hun bedrijfsmodel afweek van het standaard no cure no pay-model. Hierdoor kon de heffingsambtenaar de standaard methode toepassen.
Wel erkende de rechtbank een afrondingsfout in de oorspronkelijke kostenvergoeding en stelde deze vast op €80,88. Het beroep werd daarom gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar voor zover deze de kostenvergoeding betrof vernietigd. Het verzoek om een hogere proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat het beroep eenvoudig had kunnen worden opgelost zonder rechtsbijstand.
De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van de gecorrigeerde kostenvergoeding en het griffierecht van €53 aan belanghebbende. De overige onderdelen van de uitspraak op bezwaar bleven in stand.