ECLI:NL:RBZWB:2025:8562

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/4551
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakArt. 26 Invorderingswet 1990Art. 230 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over kwijtschelding zuiverings- en watersysteemheffing

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de directeur van Belastingsamenwerking West-Brabant die het verzoek tot kwijtschelding van de zuiveringsheffing en watersysteemheffing over 2025 heeft afgewezen. De rechtbank heeft zonder zitting uitspraak gedaan omdat zij zich kennelijk onbevoegd achtte.

De rechtbank overweegt dat op grond van de Gemeentewet en de Waterschapswet de Invorderingswet 1990 van toepassing is op de heffing en invordering van deze belastingen. Artikel 26 van Pro de Invorderingswet regelt de kwijtschelding en bepaalt dat geschillen hierover niet door de bestuursrechter maar door de civiele rechter moeten worden behandeld.

De rechtbank concludeert dat het besluit van verweerder om het verzoek tot kwijtschelding af te wijzen niet onder een uitzondering valt die bestuursrechterlijke toetsing mogelijk maakt. Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Belanghebbende heeft nog geen griffierecht betaald, en terugbetaling daarvan wordt niet toegewezen.

De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier W. Dekkers en is openbaar gemaakt op 5 december 2025. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4551

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de directeur van Belastingsamenwerking West-Brabant, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden beslissing van verweerder van 4 september 2025 op het administratief beroep van belanghebbende. Het beroep ziet op de afwijzing van het verzoek tot kwijtschelding van zuiveringsheffing en watersysteemheffing over het jaar 2025 van het object [adres] te [plaats] met verzoeknummer [nummer].
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Bij brief van 4 september 2025 heeft verweerder een beslissing genomen op het administratief beroep over het verzoek tot kwijtschelding van de zuiveringsheffing en watersysteemheffing over het jaar 2025 van het object [adres] te [plaats]. Het verzoek van belanghebbende is in de uitspraak afgewezen. In de uitspraak van verweerder staat vermeld dat er geen verdere rechtsmiddelen openstaan.
3. Belanghebbende heeft op 4 september 2025 beroep ingediend. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om het besluit van verweerder te vernietigen en zijn verzoek tot kwijtschelding toe te wijzen.
4. De rechtbank overweegt dat in Gemeentewet is bepaald dat op de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen de Invorderingswet 1990 van toepassing is. [1] In de Waterschapswet is de hetzelfde bepaald voor de waterschapsbelastingen. [2] In artikel 26 van Pro de Invorderingswet 1990 is de kwijtschelding van belastingen geregeld. Op grond van die bepaling kunnen nadere regels worden gesteld over het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding. [3] De belastingschuldige kan de ontvanger verzoeken om kwijtschelding. Op dat verzoek wordt beslist bij een voor administratief beroep vatbare beschikking. [4] Belanghebbende kan binnen tien dagen na de datum van de beschikking administratief beroep instellen bij de directeur. [5]
5. Het besluit van de invorderingsambtenaar en de uitspraak van verweerder op het administratief beroep vinden hun grondslag in artikel 26 van Pro de Invorderingswet. De bestuursrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen genomen op grond van de Invorderingswet 1990. [6] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing van verweerder om het verzoek van belanghebbende af te wijzen en hem geen kwijtschelding te verlenen voor de zuiveringsheffing en watersysteemheffing, valt niet onder een van de uitzonderingen. Een geschil over de kwijtschelding van de zuiveringsheffing en watersysteemheffing kan worden voorgelegd aan de civiele rechter. [7]
6. Het betreft een bewuste keuze van de wetgever dat deze geschillen moeten worden voorgelegd aan de civiele rechter en niet de bestuursrechter. Dat voor een dergelijke procedure andere voorwaarden gelden, kan er niet toe leiden dat de bestuursrechter alsnog bevoegd is. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de bestuursrechter wel bevoegd is in geschillen over andere besluiten over de zuiveringsheffing en watersysteemheffing die niet zijn grondslag vinden in de Invorderingswet.
7. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd. Belanghebbende heeft (nog) geen griffierecht betaald. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om griffierecht terug te geven.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 5 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikelen 230, 231 en 255 van de Gemeentewet.
2.Artikelen 123 en 144 van de Waterschapswet.
3.Deze nadere regels zijn uitgewerkt in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling).
4.Op grond van artikel 7 van Pro de Uitvoeringsregeling.
5.Op grond van artikel 24 van Pro de Uitvoeringsregeling.
6.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.
7.Zie ABRvS 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3705.