ECLI:NL:RBZWB:2025:8565

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/4755 en 25/5449
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakInvorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake dwangsombeschikking en verrekening teruggave middeling

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een mededeling van de Belastingdienst over een teruggave inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020 vanwege middeling. Na uitblijven van een uitspraak op bezwaar en het niet afgeven van een dwangsombeschikking, stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de ontvanger van de Belastingdienst niet bevoegd is voor bezwaar en beroep over de verrekening van de teruggave, en dat de belastingrechter niet bevoegd is om hierover te oordelen.

De rechtbank benadrukt dat de beslissing tot verrekening niet onder de uitzonderingen valt waarvoor de belastingrechter wel bevoegd is. Ook het beroep wegens niet tijdig beslissen en het verzoek om een dwangsombeschikking behoren niet tot haar bevoegdheid. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en wijst erop dat het geschil over verrekening aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.

Tot slot draagt de rechtbank het betaalde griffierecht aan belanghebbende terug en informeert over de mogelijkheid tot verzet tegen deze uitspraak binnen zes weken na bekendmaking.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de verrekening en de weigering tot afgifte van een dwangsombeschikking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/4755 en 25/5449

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats] , belanghebbende
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. De inspecteur van de Belastingdienst heeft met dagtekening 7 mei 2025 een mededeling aan belanghebbende verzonden van een teruggave op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020 vanwege middeling. Belanghebbende heeft daarna bezwaar gemaakt en vervolgens op 16 september 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.
1.1.
Met dagtekening 23 oktober 2024 heeft de ontvanger belanghebbende geïnformeerd dat hij geen dwangsombeschikking zal afgeven, omdat de dwangsomregeling niet van toepassing is op verrekening. De rechtbank gaat ervan uit dat de dagtekening een typefout bevat en 23 oktober 2025 bedoeld is.
1.2.
Op 6 november 2025 heeft de ontvanger het bezwaar van belanghebbende kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is het niet eens met deze uitspraak op bezwaar, omdat de ontvanger weigert een dwangsombeschikking af te geven.
1.3.
Belanghebbende heeft met dagtekening 14 november 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking in verband met het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar.
1.4.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking op een verzoek om middeling. Er staat dus bezwaar en beroep open tegen de beschikking van 7 mei 2025. De gronden van het bezwaar van belanghebbende zijn echter niet gericht tegen de beslissing van de inspecteur, maar tegen de verrekening door de ontvanger van de teruggave die volgt uit de beslissing van de inspecteur. De ontvanger heeft het bezwaar daarom in behandeling genomen en daarop vervolgens beslist. De ontvanger is de wederpartij in deze procedure.
2.1.
Deze procedure ziet zowel op het beroep wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar als op het beroep wegens het uitblijven van een dwangsombeschikking, als ook op de alsnog genomen uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 6 november 2025.
2.2.
De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van de teruggave vanwege middeling valt niet onder een van de uitzonderingen. Omdat geen beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk om beroep in te stellen wegens niet tijdig beslissen door de ontvanger. Een geschil over verrekening van de teruggave vanwege middeling kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat zij tevens onbevoegd is te beslissen over de door belanghebbende verzochte dwangsom. De bevoegdheid om te beslissen over de dwangsom volgt immers de bevoegdheid om te beslissen over het onderliggende besluit. [2] In dit geval is het onderliggende besluit de verrekening door de ontvanger van de teruggave. In dat kader is niet de rechtbank bevoegd. Ook als het gaat om een beroep niet tijdig beslissen. [3]
2.4.
De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van de beroepen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd;
  • draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 106,- (twee keer € 53,-) aan hem te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 5 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.
2.Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797.
3.Hof Arnhem-Leeuwarden 1 juni 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5429. De Hoge Raad heeft het daartegen gerichte beroep in cassatie ongegrond verklaard.