ECLI:NL:RBZWB:2025:8621

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/5317
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening inzake schorsing procescertificaat asbestverwijdering

Op 8 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over een verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster, een B.V. gespecialiseerd in asbestverwijdering. Verzoekster verzocht om schorsing van een besluit van verweerder, dat haar procescertificaat asbestverwijdering voor een termijn van 30 dagen had geschorst. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen, omdat de schorsing van het certificaat verzoekster in financieel zwaar weer zou kunnen brengen en er geen direct risico voor de volksgezondheid was aangetoond. De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van verzoekster zwaarder wogen dan die van verweerder, die de schorsing had opgelegd. De voorzieningenrechter heeft het besluit van verweerder geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5317

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. T. Segers en mr. J.J. Treure),
en

[verweerder] B.V. ( [verweerder] ), verweerder,

(gemachtigde: mr. M. De Jong).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster gaat over de onvoorwaardelijke schorsing van haar procescertificaat asbestverwijdering voor een termijn van 30 dagen. Verzoekster is het niet eens met deze schorsing. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek mede aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 heeft [verweerder] het procescertificaat asbestverwijdering van verzoekster voor een termijn van 30 dagen per 17 oktober 2025 onvoorwaardelijk geschorst
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] namens verzoekster, de gemachtigden van verzoekster, [naam 3] namens [verweerder] en de gemachtigde van [verweerder] .

Totstandkoming van het besluit

Feiten en omstandigheden
3. In de arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving is voor de inventarisatie van asbest een systeem van certificering voorgeschreven. Dit betekent dat inventarisatie van asbest alleen mag worden verricht door asbestinventarisatiebedrijven, die in het bezit zijn een certificaat. [verweerder] is als certificerende instelling aangewezen voor de certificering van deze asbestinventarisatiebedrijven.
3.1.
Verzoekster is een bedrijf gespecialiseerd in onder meer asbestverwijdering. Zij beschikt over een procescertificaat asbestverwijdering ( [nummer 1] ).
3.2.
Op een projectlocatie aan [adres] is door [verweerder] op
21 augustus 2025 een audit uitgevoerd. Het project betreft een sanering van 2.430 m² rioleringsbuizen onder de funderingsvloer van een voormalig schoolgebouw. Aan dit project zijn vier medewerkers van verzoekster toegewezen en er zijn geen andere bedrijven op de locatie aanwezig. Tijdens de audit heeft [verweerder] twaalf afwijkingen van het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering (Certificatieschema) geconstateerd waarvan vijf afwijkingen van categorie II en zeven van categorie III.
3.3.
[verweerder] heeft op 27 augustus 2025 in twee afzonderlijke voornemens aan verzoekster kenbaar gemaakt haar procescertificaat asbestverwijdering onvoorwaardelijk te schorsen voor een termijn van 30 dagen per 17 oktober 2025 vanwege de afwijkingen van categorie II en voorwaardelijk te schorsen voor een termijn van 90 dagen vanwege de afwijkingen van categorie III.
Verzoekster heeft naar aanleiding daarvan haar zienswijze naar voren gebracht.
Bestreden besluit
3.4.
[verweerder] heeft in het bestreden besluit de afwijkingen [nummer 2] en [nummer 3] (beide categorie III) niet langer gehandhaafd, waardoor in totaal tien afwijkingen aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.
In reactie op de zienswijze heeft [verweerder] overwogen dat geen sprake is van onevenredige handhaving, hoewel voor bepaalde afwijkingen sprake is van enige overlap. Van eendaadse samenloop kan geen sprake zijn, omdat er tijdens de uitvoering van de werkzaamheden meerdere afzonderlijke keuzemomenten zijn geweest. De afzonderlijke keuzes en gedragingen vormen elk op zichzelf staande tekortkomingen en rechtvaardigen het vaststellen van meerdere afwijkingen. De grondslagen van de verschillende afwijkingen staan voor het grootste deel los van elkaar. De vastgestelde afwijkingen zijn gekoppeld aan verschillende normen en verplichtingen.
3.4.1.
Met het bestreden besluit heeft [verweerder] overwogen dat de vijf afwijkingen van categorie II op grond van artikel 70, vijfde lid, onder a, van het Certificatieschema leiden tot een onvoorwaardelijke schorsing van het procescertificaat asbestverwijdering voor een termijn van 30 dagen per 17 oktober 2025. Verzoekster dient corrigerende maatregelen te nemen, anders zal [verweerder] het certificaat intrekken. De corrigerende maatregelen dienen per 17 oktober 2025 door [verweerder] geaccepteerd en gesloten te zijn.
Met betrekking tot afwijking [nummer 4] betreffende de schending van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Certificatieschema heeft [verweerder] gesteld dat het toezicht tijdens de uitvoering van de asbestverwijderingswerkzaamheden ontoereikend was. De Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA) hield geen voortdurend toezicht op de werkzaamheden van de kraanmachinist.
Met betrekking tot afwijking [nummer 5] betreffende de schending van artikel 41, eerste lid, onder g, van het Certificatieschema heeft [verweerder] gesteld dat in beginsel het gebied afgebakend had moeten zijn, waarbij bij het betreden en verlaten van het gebied de decontaminatieprocedure had moeten worden toegepast en dat het gebruik van adembescherming vereist was.
Met betrekking tot afwijking [nummer 6] betreffende de schending van artikel 43, derde lid, van het Certificatieschema heeft [verweerder] gesteld dat het in volledige delen verwijderen en het direct verpakken van het asbesthoudend materiaal, zoals voorgeschreven in het werkplan, niet is toegepast. Het materiaal is onverpakt verwijderd en buiten het afgebakend werkgebied geplaatst, waardoor is afgeweken van zowel de risicoklasse als de voorgeschreven werkwijze. Bovendien was er geen sprake van een adequaat afgebakend werkgebied.
Met betrekking tot afwijking [nummer 7] betreffende de schending van artikel 44, eerste lid, onder b, van het Certificatieschema heeft [verweerder] gesteld dat op de projectlocatie is geconstateerd dat een afvalcontainer buiten het werkgebied stond, voorzien van een containerzak met inliner. In deze containerzak bevond zich onverpakt asbesthoudend buismateriaal. Op basis van deze waarnemingen is vastgesteld dat het asbesthoudende materiaal niet is verpakt in een niet-luchtdoorlatende verpakking van zodanige dikte en sterkte dat deze niet scheurt. Het asbesthoudend afval is in zijn geheel niet afzonderlijk verpakt.
3.4.2.
De resterende vijf afwijkingen van categorie III worden op grond van artikel 70, derde lid, onder a, van het Certificatieschema gezien als één afwijking uit de naastgelegen hogere categorie. Op grond van artikel 70, zevende lid, van het Certificatieschema wordt het procescertificaat asbestverwijdering voorwaardelijk geschorst voor een termijn van 90 dagen. Een tweede definitieve schorsing kan voorkomen worden door corrigerende maatregelen te nemen die per 28 november 2025 door [verweerder] geaccepteerd en gesloten dienen te zijn.
Met betrekking tot afwijking [nummer 8] betreffende de schending van artikel 29, vierde lid, van het Certificatieschema heeft [verweerder] gesteld dat de instructies voor de werkzaamheden uitgevoerd door de kraanmachinist hadden moeten worden geregistreerd.
Met betrekking tot afwijking [nummer 9] betreffende de schending van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van het Certificatieschema heeft [verweerder] gesteld dat adembescherming vereist was, omdat de DTA zich onbeschermd over het terrein begaf en daarmee een verhoogd risico liep.
Met betrekking tot afwijking [nummer 10] betreffende de schending van artikel 44, eerste lid, onder a, van het Certificatieschema heeft [verweerder] gesteld dat niet is voldaan aan de verplichting tot het zo spoedig mogelijk verpakken van het asbesthoudende materiaal. Het asbesthoudende huismateriaal is onverpakt uit het werkgebied verwijderd en
onverpakt in de containerzak van de afvalcontainer gedeponeerd. Daarnaast bevond de container zich niet binnen het met lint afgezette werkgebied.
Met betrekking tot afwijking [nummer 11] betreffende de schending van artikel 44, eerste lid, onder f, van het Certificatieschema heeft [verweerder] gesteld dat het werkterrein en de container voor onbevoegden toegankelijk waren, aangezien het sloopterrein niet volledig was afgesloten met een hekwerk. Het lint rondom de container was bovendien zodanig kort gespannen dat direct toegang tot het onverpakte asbest mogelijk was. Een afzetlint is onvoldoende om de locatie af te bakenen.
Opschorting schorsingsbesluit en corrigerende maatregelen
3.5.
[verweerder] heeft op 16 oktober 2025 bericht dat de schorsing van het certificaat wordt opgeschort tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. In dit bericht is ook medegedeeld dat tot dit moment voor de afwijkingen nog geen corrigerende maatregelen hoeven te worden ingediend.
3.6.
Verzoekster had echter reeds corrigerende maatregelen genomen met betrekking tot de afwijkingen. Deze zijn ook op 14 oktober 2025 door [verweerder] beoordeeld maar afgekeurd. Een eerste ronde aanpassingen zijn op 20 oktober 2025 beoordeeld en afgekeurd en een tweede ronde aanpassingen zijn op 24 oktober 2025 beoordeeld en afgekeurd.
Standpunt verzoekster
4. Verzoekster kan zich niet verenigen met het opleggen van een onvoorwaardelijke schorsing van haar procescertificaat asbestverwijdering voor een termijn van 30 dagen. Er is sprake van eendaadse samenloop waardoor het onevenredig is om voor de vermeende gedragingen tien afwijkingen vast te stellen. Een groot aantal afwijkingen bevatten geen andere, nieuwe, gedragingen anders dan gedragingen die al onderdeel zijn van één of meerdere andere afwijkingen.
Daarnaast heeft verzoekster aangevoerd dat de onvoorwaardelijke schorsing niet geschikt of noodzakelijk is. De onvoorwaardelijke schorsing is een herstelsanctie die tot doel heeft dat de certificaathouder gedurende de schorsing orde op zaken kan stellen. Verzoekster heeft inmiddels corrigerende maatregelen getroffen voor alle vermeende afwijkingen. Ter staving heeft verzoekster verwezen naar uitspraken van andere voorzieningenrechters [1] en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
16 juli 2025 [2] .
De voorzieningenrechter van diverse rechtbanken hebben bovendien in soortgelijke kwesties bij hun voorlopig oordeel over de vraag of schorsingsbesluiten van [verweerder] moeten worden opgeschort geoordeeld dat de zwaarwegende belangen van een certificaathouder dienen te prevaleren boven het belang van [verweerder] bij een direct onvoorwaardelijk schorsen. [3]
4.1.
Verzoekster heeft verder de afwijkingen afzonderlijke betwist. Alleen tegen afwijking 107815672 heeft verzoekster geen gronden gericht.
Met betrekking tot afwijking [nummer 4] heeft verzoekster aangevoerd dat artikel 28, eerste lid, onder b, van het Certificatieschema niet de eis stelt dat de desbetreffende DTA ook daadwerkelijk ingrijpt wanneer nodig. Op het project was slechts één persoon direct betrokken bij het daadwerkelijke verwijderen van asbest en dat was de DTA zelf. Het spreekt voor zich dat daarmee sprake is van voortdurend toezicht.
Met betrekking tot afwijking [nummer 5] heeft verzoekster aangevoerd dat decontaminatie dient plaats te vinden nadat personen zich met persoonlijke beschermingsmiddelen en ademhalingsbeschermingsmiddelen in het werkgebied hebben begeven en daarbij rechtstreeks hebben kunnen blootstaan aan asbestconcentraties boven de wettelijke
grenswaarden. Daarvan is echter geen sprake geweest. De asbestverwijderingswerkzaamheden zijn geheel uitgevoerd vanuit een kraanmachine met
overdruk. In het toen geldende asbestinventarisatierapport versie 1 werd daarnaast nog geen melding gemaakt van vlakke platen en/of buismateriaal verspreid over de oppervlakte.
Met betrekking tot afwijking [nummer 6] heeft verzoekster aangevoerd dat uit de verklaringen van de DTA niet blijkt dat is afgeweken van de risicoklasse. De DTA heeft het asbest met de kraanmachine met overdrukinstallatie vanuit het werkgebied direct in de container met asbestafvalzak met inliner geplaatst. Deze container stond direct naast het werkgebied. Daarmee is het asbesthoudende afval direct verpakt. Voor deze handelingen was (aanvullende) afbakening of het dragen van adembeschermingsmiddelen en het volgen van de decontaminatieprocedure dan ook niet vereist.
Met betrekking tot afwijking [nummer 7] heeft verzoekster aangevoerd dat de asbesthoudende buizen na verwijdering in de container met niet luchtdoorlatende asbestcontainerzak met inliner werden geplaatst, wat een standaard geaccepteerde werkwijze binnen de asbestbranche is.
Met betrekking tot afwijking [nummer 8] heeft verzoekster aangevoerd dat de betrokken kraanmachinist op geen enkel moment aanwezig is geweest in een werkgebied. Immers was hij enkel betrokken bij het verwijderen van de funderingsvloer, voordat überhaupt was vastgesteld dat daar asbest aanwezig was en dat daar afbakening was aangebracht. Op basis van de gehanteerde werkwijze was er formeel dan ook geen aanleiding voor het geven van instructies, hoewel dit onverplicht wel is gebeurd.
Met betrekking tot afwijking [nummer 9] heeft verzoekster aangevoerd dat de tot het moment van de audit uitgevoerde asbestverwijderingswerkzaamheden alle zijn uitgevoerd vanuit de kraan met overdrukmachine. Op basis van het tijdens de audit geldende asbestinventarisatierapport bevonden zich asbesthoudende rioolbuizen onder de verdiepingsvloer. Er was dus geen aanleiding om aan te nemen dat daarboven ook risico bestond op blootstelling aan concentraties boven de toepasselijke grenswaarden.
Met betrekking tot afwijking [nummer 10] heeft verzoekster aangevoerd dat bij asbestverwijderingswerkzaamheden het gebruik van een container met containerzak
met inliner zeer gebruikelijk is. Tijdens de sanering wordt het verwijderde asbesthoudende
materiaal in de container gedeponeerd en na afronding van de werkzaamheden wordt de
containerzak dichtgeknoopt. Totdat de werkzaamheden zijn afgerond, wordt de container iedere avond afgedekt met een deksel zodat het asbest ontoegankelijk is en op de juiste manier is verpakt. Het is niet verplicht om tijdens de werkzaamheden iedere keer het deksel op en af de container te plaatsen.
Met betrekking tot afwijking [nummer 11] heeft verzoekster aangevoerd dat de container met asbest voorzien was van afzettingslinten waarop duidelijk stond aangegeven dat toegang tot de container verboden was in verband met asbest. Gelet op artikel 43, eerste lid, onder b, van het Certificatieschema zijn afzetlinten in beginsel voldoende om zeker te stellen dat onbevoegde personen de afgezette locatie niet kunnen betreden. Bovendien was de projectlocatie afgezet met bouwhekken die ‘s avonds werden gesloten. Overigens waren op deze bouwhekken ook borden bevestigd die toegang voor onbevoegden verbood en bezoekers verplichtte zich te melden bij de uitvoerder. Er kan dan ook niet anders dan geconcludeerd worden dat de container met asbesthoudend afval enkel voor bevoegde personen toegankelijk was.

Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van de voorlopige voorziening belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader voorzieningenrechter
6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit in beginsel een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
6.2.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Spoedeisend belang
7. Verzoekster heeft ten aanzien van de spoedeisendheid van haar verzoek aangevoerd dat zij 30 dagen lang geen asbestwerkzaamheden in risicoklasse 2 of 2A zal kunnen verrichten waardoor vertragingsschade zal optreden. Opdrachtgevers en andere (aannemings)bedrijven zullen deze schade op verzoekster verhalen. Verzoekster heeft tientallen projecten in haar portefeuille. Daarnaast is zij verantwoordelijk voor loondoorbetaling. Daarbovenop komt de omzetschade en imagoschade. Gelet op het voorgaande bestaat een reële kans dat verzoekster door de schorsing van haar procescertificaat in financieel zwaar weer en mogelijk zelfs in staat van faillissement zal komen te verkeren. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat de onvoorwaardelijke schorsing van het asbestcertificaat niet louter financiële consequenties zal hebben, maar ook personele consequenties.
7.1.
[verweerder] heeft niet weersproken dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij haar verzoek om voorlopige voorziening. Gelet op de door verzoekster aangevoerde belangen, die niet zuiver financieel van aard zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij een voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek om voorlopige voorziening heeft.
Procescertificaat asbestverwijdering
8. De voorzieningenrechter zal in dit geval geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven. Ter zitting hebben partijen immers toegelicht dat de werkmethodiek van verzoekster ter discussie staat en dat die discussie doorwerkt in de beoordeling van de corrigerende maatregelen. Verzoekster heeft daarnaast het standpunt ingenomen dat sprake is van eendaadse samenloop en betoogt dat een onvoorwaardelijke schorsing in dat kader niet evenredig is. Verzoekster stelt zich hiermee kennelijk op het standpunt dat indien terecht afwijkende gedragingen zouden zijn geconstateerd de vraag voorligt of aan de afwijkingen een even zwaar gewicht zou moeten worden toegekend. Dit zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter principiële discussies met een hoogspecialistisch karakter waarvan de voorlopige beslechting zich in deze procedure niet leent. [stichting] is als onafhankelijke bezwaarschriftencommissie bij uitstek aangewezen om in haar advies op het bezwaar eerst een inhoudelijk oordeel te vellen over de afwijkingen. De voorzieningenrechter zal gelet op het voorgaande zich beperken tot een belangenafweging.
8.1.
Verzoekster heeft aangevoerd dat haar belang bij de voorlopige voorziening is gelegen in het voorkomen van schade zowel voor verzoekster (waaronder het behoud van personeel), haar opdrachtgevers en bedrijven in de keten. [verweerder] heeft dit belang niet bestreden. Daartegenover het belang van de volksgezondheid geplaatst. Niet gesteld of gebleken is echter dat een risico voor de volksgezondheid zich onmiddellijk zal verwezenlijken indien de onvoorwaardelijke schorsing meteen niet meteen ingaat. Daarbij wordt opgemerkt dat [verweerder] ervoor heeft gekozen om de beoordeling van de corrigerende maatregelen on-hold te zetten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoekster om haar bedrijf hangende bezwaar voorlopig te kunnen voortzetten en haar opdrachten te kunnen uitvoeren, in het licht van het vorenstaande, zwaarder dan het belang van [verweerder] om direct tot tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke schorsing van het asbestcertificaat over te gaan.
8.2.
[verweerder] zal in de beslissing op bezwaar naast onder meer de meer principiële discussie over de werkmethodiek van verzoekster, moeten beoordelen of de onvoorwaardelijke schorsing van het asbestcertificaat evenredig is. Bij het beoordelen van de evenredigheid dient [verweerder] onder meer de staat van dienst van verzoekster te betrekken. Hierbij zal moeten worden betrokken dat verzoekster sinds 2008 in het bezit is van het asbestcertificaat en sindsdien slechts één of enkele afwijkingen van administratieve aard zijn geconstateerd. Op basis van deze constateringen zijn nooit waarschuwingen of sancties uitgevaardigd. Daarbij wordt opgemerkt dat afhankelijk van het aantal pakuren (het aantal uren dat medewerkers beschermende kleding dragen) zes tot acht audits per jaar op werklocaties van verzoekster plaats hebben gevonden.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de voorlopige voorziening treffen door het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
9.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek zal toewijzen moet [verweerder] het griffierecht aan verzoekster vergoeden evenals haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal
€ 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
  • schorst het besluit van 3 oktober 2025 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat [verweerder] het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt [verweerder] tot betaling van proceskosten van € 1.814,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 8 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Arbeidsomstandighedenwet
Op grond van artikel 20, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld op grond waarvan werkgevers, werknemers, andere personen of instellingen in het bezit moeten zijn van een of meer certificaten waaruit blijkt dat zij voldoen aan voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat Onze Minister dan wel een door Onze Minister op verzoek aangewezen instelling op aanvraag over de afgifte van het certificaat beslist en tevens is bevoegd een afgegeven certificaat in te trekken of te schorsen.
Het vierde lid, aanhef en onder c, van dit artikel bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld onder meer met betrekking tot de gronden waarop en de gevallen waarin de afgifte van een certificaat kan worden geweigerd dan wel een afgegeven certificaat kan worden geschorst of ingetrokken.
Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering
Artikel 5. Herstelmaatregelen en corrigerende maatregelen
De certificaathouder neemt nadat de certificerende instelling hem een door haar getrokken conclusie, bedoeld in artikel 71, eerste lid, heeft gezonden die leidt tot het treffen van een herstelmaatregel of corrigerende maatregel en hij geen zienswijze indient zoals bedoeld in artikel 71, tweede lid, of nadat de certificerende instelling hem het besluit heeft gezonden omtrent het treffen van een maatregel als bedoeld in artikel 71, derde lid, de noodzakelijke adequate herstelmaatregelen of corrigerende maatregelen en rapporteert daarover aan de certificerende instelling:
a. binnen twaalf weken in geval van een afwijking uit de categorie IV, zoals bepaald in bijlage 1;
b. binnen acht weken in geval van een afwijking uit de categorie III, zoals bepaald in
bijlage 1;
c. binnen twee weken in geval van een afwijking uit de categorie II, zoals bepaald in
bijlage 1; en
d. binnen vier weken in geval zijn procescertificaat onvoorwaardelijk is geschorst op grond van artikel 70, vijfde lid.
Artikel 70. Bepalen van een waarschuwing of sanctie
1. Indien de certificaathouder niet voldoet of voldaan heeft aan of één meer bepalingen, is sprake van een afwijking en wordt het procescertificaat van de certificaathouder door de certificerende instelling ingetrokken, onvoorwaardelijk geschorst voor 30 dagen, voorwaardelijk geschorst voor 90 dagen of geeft de certificerende instelling de certificaathouder een waarschuwing.
2. De certificerende instelling volgt bij het toepassen van het eerste lid de categorie-indeling van afwijkingen, zoals opgenomen in bijlage 1.
3. Bij het toepassen van het eerste en tweede lid worden de volgende verzwaringen toegepast:
a. indien de certificerende instelling tijdens de beoordeling op een projectlocatie drie of meer afwijkingen uit categorie III dan wel categorie IV constateert, worden deze drie of meer afwijkingen beschouwd als zijnde één afwijking uit de naastgelegen zwaardere categorie;
(…)
5. Het procescertificaat wordt onvoorwaardelijk geschorst voor 30 dagen indien:
a. de certificerende instelling tijdens de beoordeling op een projectlocatie drie of meer categorie II afwijkingen constateert;
b. de certificerende instelling binnen een periode van één jaar na de constatering van een categorie II-afwijking voor de zesde keer een categorie II-afwijking constateert;
c. de certificaathouder van wie het procescertificaat voorwaardelijk is geschorst, niet binnen de in artikel 5, onderdeel c, genoemde termijn aan de certificerende instelling heeft aangetoond dat hij adequate corrigerende maatregelen heeft genomen; of
d. de certificaathouder het werk op de projectlocatie na constatering van een categorie II afwijking aanvangt of voortzet zonder dat herstelmaatregelen zijn genomen en deze door de certificerende instelling adequaat zijn bevonden.
6. Wanneer een procescertificaat onvoorwaardelijk is geschorst mag de certificaathouder van wie het procescertificaat onvoorwaardelijk is geschorst, geen werkzaamheden verrichten waarvoor het bezit van een geldig procescertificaat verplicht is.
7. Het procescertificaat wordt voorwaardelijk geschorst voor 90 dagen in geval van een categorie II afwijking.
8. Wanneer een procescertificaat voorwaardelijk is geschorst mag de certificaathouder de werkzaamheden blijven verrichten waarvoor het bezit van een geldig procescertificaat verplicht is.
9. Indien de houder van het procescertificaat dat voorwaardelijk is geschorst binnen de in artikel 5, onderdeel c, genoemde termijn aan de certificerende instelling heeft aangetoond dat hij adequate corrigerende maatregelen heeft genomen en de certificerende instelling heeft vastgesteld dat deze adequaat zijn, bevestigt de certificerende instelling zulks aan de certificaathouder.
10. Aan de certificaathouder wordt door de certificerende instelling een waarschuwing gegeven in geval van een afwijking uit categorie III en IV.
Artikel 73. Hardheidsclausule
1. De certificerende instelling kan slechts afwijken van de bepalingen in dit certificatieschema en de daarbij behorende bijlage 1, indien naar haar oordeel een strikte toepassing daarvan voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen, dan wel zou leiden tot onbillijkheden van zwaarwegende aard.
(…)

Voetnoten

1.De uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van
3.Zie noot 1 en de uitspraak van voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van