ECLI:NL:RBZWB:2025:8677

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/259 t/m 25/261
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaren WOZ en OZB 2024

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 8 december 2025 uitspraak gedaan over de beroepen van belanghebbende tegen de WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) over het jaar 2024 voor drie objecten. De bezwaren waren niet tijdig ingediend, waardoor de heffingsambtenaar deze terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De rechtbank oordeelt dat de wettelijke termijn van zes weken voor het indienen van bezwaren is overschreden. De dagtekening van de aanslagbiljetten was 31 mei 2024, waardoor de bezwaartermijn op 12 juli 2024 eindigde. Het bezwaarschrift werd pas op 28 oktober 2024 gepost en op 30 oktober 2024 ontvangen. Belanghebbende heeft geen verontschuldigbare omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding rechtvaardigen.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de aanslagen heeft voldaan op 30 juli en 29 augustus 2024, wat bevestigt dat de aanslagbiljetten tijdig zijn ontvangen. De verzoeken om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn worden afgewezen, omdat de redelijke termijn niet is overschreden.

De beroepen worden daarom ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.

Uitkomst: De beroepen zijn ongegrond verklaard wegens niet tijdig ingediende bezwaren en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/259 t/m 25/261

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[plaats 1] B.V., uit [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West- Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 januari 2025. De beroepen zien op de WOZ-beschikkingen voor de objecten [adres 1] te [plaats 2] , [adres 2] te [plaats 3] en [adres 3] te [plaats 4] over het jaar 2024 met [aanslagnummer], alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig waren ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het bezwaarschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het bezwaarschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is het aanslagbiljet op de juiste wijze bekendgemaakt?
4. Het aanslagbiljet heeft een dagtekening 31 mei 2024. Hiertegen heeft de gemachtigde op 30 oktober 2024 bezwaar gemaakt.
4.1.
De heffingsambtenaar heeft de gemachtigde bij brieven van 15 november 2024 en 10 december 2024 in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de termijnoverschrijding. De gemachtigde heeft per e-mail van 12 november 2024 en 16 december 2024 gereageerd. De gemachtigde vraagt aan de heffingsambtenaar waaruit blijkt dat het aanslagbiljet daadwerkelijk is geprint en wanneer deze ter post is bezorgd en met welk postvervoerdersbedrijf. De rechtbank begrijpt dat de gemachtigde hiermee de tijdige verzending van het aanslagbiljet heeft willen betwisten. Verder stelt de gemachtigde dat zijn klanten de aanslagbiljetten direct na ontvangst aan hem toesturen en hij dan binnen 24 uur bezwaar maakt.
4.2.
De heffingsambtenaar is van mening dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De dagtekening van het aanslagbiljet is 31 mei 2024 en gezien de betalingen van de aanslagen vermeld op het aanslagbiljet op 30 juli 2024 en 29 augustus 2024 is deze ook door belanghebbende ontvangen. Het bezwaarschrift is ruimschoots buiten de wettelijke bezwaartermijn ontvangen. Verder heeft belanghebbende in bezwaar en beroep geen omstandigheden aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te twijfelen aan de bekendmaking en de verzending van het aanslagbiljet nu vast is komen te staan dat belanghebbende de bedragen van de aanslagen op 30 juli 2024 en 29 augustus 2024 heeft voldaan. Hieruit blijkt dat belanghebbende in elk geval op 30 juli 2024 het aanslagbiljet heeft ontvangen.
Is het bezwaarschrift te laat in ingediend?
5. Vast staat dat de dagtekening van het aanslagbiljet 31 mei 2024 is. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 12 juli 2024.
5.1.
Belanghebbende heeft het bezwaarschrift – gelet op de poststempel – op 28 oktober 2024 met PostNL verstuurd. Het bezwaarschrift is bij de heffingsambtenaar ontvangen op 30 oktober 2024. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. Ook als de rechtbank ervan zou uitgaan dat belanghebbende pas op de dag van de eerste betaling
(30 juli 2024) bekend is geworden met het aanslagbiljet is het bezwaarschrift niet tijdig ingediend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift eerder op de post is gedaan.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
6. De gemachtigde van belanghebbende heeft naast algemene punten over zijn
24-uurs service en dat hij nooit ziek, zwak of misselijk is geen reden opgegeven. Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim.

Conclusie en gevolgen

7. De bezwaren zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Immateriële schadevergoeding
8. Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn. Omdat de redelijke behandeltermijn in eerste aanleg niet is overschreden, wijst de rechtbank dit verzoek af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 8 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.