In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, gebaseerd op een belastbaar inkomen van € 30.902. Tevens werd een verzuimboete van € 385 opgelegd, welke door de inspecteur ongegrond werd verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van belanghebbende aanwezig was, maar belanghebbende zelf niet. De rechtbank beoordeelt of de verzuimboete terecht is opgelegd en of er sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). De rechtbank concludeert dat de verzuimboete terecht is opgelegd, omdat belanghebbende niet alle redelijke zorg heeft betracht om de aangifte tijdig in te dienen. De rechtbank constateert ook dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, maar oordeelt dat de verzuimboete in stand blijft. Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard, en zij krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.