ECLI:NL:RBZWB:2025:8778

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/300
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de verzuimboete en niet-ontvankelijkheid van het bezwaar in belastingzaak

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, met een belastbaar inkomen van € 30.106, en een verzuimboete van € 385. Het bezwaar van belanghebbende werd door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van belanghebbende aanwezig was, maar belanghebbende zelf niet. De rechtbank oordeelt dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, maar dat de verzuimboete terecht is opgelegd. De rechtbank concludeert dat belanghebbende niet alle redelijke zorg heeft betracht om de aangifte tijdig in te dienen, ondanks problemen met DigiD. De rechtbank constateert ook een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, maar oordeelt dat de verzuimboete passend is. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, verklaart het bezwaar ongegrond, en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/300

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.106.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de verzuimboete ten onrechte is opgelegd. Daarvoor beoordeelt de rechtbank of het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De verzuimboete is terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Aan belanghebbende is uitstel tot het doen van aangifte verleend tot 1 mei 2023.
4.1.
Bij brief met dagtekening 24 mei 2023 is belanghebbende door de inspecteur herinnerd tot het doen van aangifte IB/PVV 2021.
4.2.
De partner van belanghebbende heeft op 25 mei 2023 een e-mail verzonden naar de gemachtigde met het onderwerp
“Digi ojee”. In de e-mail stond onder meer het volgende:
“Ik denk dat we beter een nieuwe afspraak kunnen maken, [naam 1] is er nog niet en ik moet naar de fysio toe.”
4.3.
De partner van belanghebbende heeft op 31 mei 2023 een e-mail verzonden naar de gemachtigde waarin onder meer het volgende stond (“onderwerp: Re: Digi ojee”):
“Even een update [naam 2] , het wachten is op een nieuwe 5 cijferige code voor [naam 1] , die wordt per post toegestuurd. Zodra alles het weer "doet" neem ik contact met je op..”
4.4.
Bij brief met dagtekening 27 juni 2023 is belanghebbende door de inspecteur aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2021. Hierin staat vermeld dat belanghebbende de aangifte IB/PVV 2021 moet indienen voor 11 juli 2023.
4.5.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2021 ingediend op 20 juli 2023.
4.6.
De inspecteur heeft een verzuimboete van € 385 opgelegd voor het te laat indienen van de aangifte IB/PVV 2021. Belanghebbende heeft op 9 oktober 2023 en op 10 april 2024 een bezwaarschrift ingediend.
4.7.
De inspecteur heeft bij brief van 16 oktober 2023 bevestigt dat op 9 oktober 2023 een bezwaarschrift is ontvangen.

Motivering

Is het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?
5. Partijen zijn het erover eens dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank oordeelt conform. In zoverre is het beroep gegrond. Beide partijen verzoeken de rechtbank om de zaak inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank zal daarom ook beoordelen of de verzuimboete ten onrechte is opgelegd.
Is de verzuimboete ten onrechte opgelegd?
6. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen als de belastingplichtige geen aangifte heeft gedaan binnen een in de aanmaning gestelde termijn. [1] Voor het opleggen van een verzuimboete is geen opzet of schuld vereist maar de boete moet wel achterwege blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). Voor een geslaagd beroep op avas moet belanghebbende aannemelijk maken dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelling dat de aangifte IB/PVV 2021 tijdig wordt ingediend. [2]
6.1.
Niet in geschil is dat de inspecteur een uitnodiging voor het doen van aangifte, een herinnering en een aanmaning naar belanghebbende heeft verzonden. De inspecteur heeft in de aanmaning een termijn gesteld tot 11 juli 2023 voor het indienen van de aangifte IB/PVV 2021. Het aangiftebiljet IB/PVV 2021 is op 20 juli 2023, dus na de in de aanmaning gestelde termijn, door de inspecteur ontvangen.
6.2.
Namens belanghebbende is gesteld dat er alles aan gedaan is om de aangifte IB/PVV 2021 tijdig in te dienen. Door problemen met de DigiD is dit echter niet gelukt. De frustratie die ontstond doordat het niet lukte om in te loggen terwijl de uiterste inleverdatum alsmaar dichterbij kwam, valt met geen mogelijkheid te omschrijven. Vroeger kon nog handmatig een aangifte worden ingevuld en worden afgeven. De gemachtigde geeft aan dat slechts een handvol boetes zijn opgelegd aan zijn klanten wegens te late inlevering van aangiftes en die zijn bovendien allemaal ongedaan gemaakt. Er is een groot onrecht gedaan door deze verzuimboete en verwezen wordt naar de toeslagenaffaire.
6.3.
De inspecteur ziet in het gestelde geen reden voor vernietiging van de boete. Het was bekend wanneer de aangifte moest zijn ingediend, er is herinnerd, er is aangemaand en er is geen aangifte gedaan. Welke problemen er waren blijft zeer vaag en voorts was er ruimte en tijd om contact op te nemen met de Belastingdienst om aan te geven dat het niet zou lukken. Dat is niet gedaan.
6.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is de rechtbank onduidelijk gebleven welke problemen er met DigiD zouden zijn geweest. Belanghebbende en de gemachtigde houden dit vaag. Dat maakt het voor de rechtbank lastig om concreet te reageren op de stelling van belanghebbende.
Gelet op de e-mails die zijn verstuurd ruim voordat de termijn tot het indienen van aangifte afliep (zie 4.2 en 4.3) lijkt het probleem met Digid gelegen te zijn geweest in het niet beschikbaar hebben van de inlogcodes. Deze zijn vervolgens zo blijkt uit de e-mails weer opgevraagd.
6.5.
Namens belanghebbende is gesteld dat er vervolgens alles aan is gedaan om de aangifte tijdig in te dienen. De rechtbank ziet echter niet wat er na de e-mail van eind mei 2023 tot aan de dag dat de termijn verstreek op 11 juli 2023 feitelijk is gedaan. Uit het dossier blijkt geen actie. Wel stelt gemachtigde “op het laatste moment” gebeld te hebben met de Belastingdienst, wat bestreden wordt door de inspecteur. Ook als wel gebeld zou zijn op het laatste moment met de Belastingdienst om aan te geven dat het niet lukt om aangifte te doen, dan levert dit alsnog in de regel en zonder nadere onderbouwing geen avas op.
6.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van avas omdat belanghebbende niet alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstellingen dat de aangifte IB/PVV 2021 tijdig zou worden ingediend. De verzuimboete is terecht opgelegd. De rechtbank acht de verzuimboete passend en geboden.
Undue delay
7. De rechtbank constateert ambtshalve dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie. Het aanvangsmoment van de redelijke termijn is 5 september 2023, omdat de boete op dat moment bekend is geworden. De rechtbank doet uitspraak op 10 december 2025. De redelijke termijn is met afgerond vier maanden overschreden. De boete is minder dan € 1.000 waardoor de verdragsschending met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden naar het oordeel van de rechtbank voldoende is gecompenseerd. [3]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is op een formele grond gegrond omdat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Bij uitspraak op bezwaar had het bezwaar ongegrond moeten worden verklaard. Dit omdat de verzuimboete terecht is opgelegd. Het gevolg voor belanghebbende is in feite hetzelfde: dit betekent dat de verzuimboete in stand blijft.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt berekend aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Belanghebbende krijgt hierbij 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde van € 907 per punt. In het feit dat het beroep enkel gegrond is op de onterecht niet-ontvankelijkverklaring in bezwaar, ziet de rechtbank aanleiding om de factor 0,25 toe te passen. De vergoeding bedraagt € 453,50. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond welke betrekking heeft op de niet-ontvankelijkheid verklaring van het bezwaar;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar welke betrekking heeft op de niet-ontvankelijkheidverklaring;
- verklaart het bezwaar ongegrond;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de rechter.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [4]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 67a, eerste lid, van de AWR.
2.Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.
3.Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3.
4.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.