ECLI:NL:RBZWB:2025:878
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens afwaardering rekening-courantvordering
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een vennootschap, had een rekening-courantvordering van ruim €1,4 miljoen. De vennootschap besloot in 2015 een bedrag van €1.064.133 af te waarderen wegens oninbaarheid, wat in 2016 formeel werd bekrachtigd. Belanghebbende gaf in zijn aangifte 2015 geen inkomen uit aanmerkelijk belang aan en de inspecteur legde aanvankelijk aanslagen op basis van deze aangifte.
Later stelde de inspecteur dat sprake was van een winstuitdeling in 2015 en legde een navorderingsaanslag op, inclusief belastingrente. Belanghebbende maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en dat de winstuitdeling in 2015 heeft plaatsgevonden, niet pas in 2016 toen het besluit formeel werd bekrachtigd.
De rechtbank volgt de uitleg van de Hoge Raad dat het prijsgeven van de vordering in 2015 heeft plaatsgevonden en dat dit uit aandeelhoudersmotieven gebeurde, niet op zakelijke gronden. De navorderingsaanslag is daarom terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Daarnaast kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim 2 jaar, en vergoedt proceskosten voor het indienen van dat verzoek.
Uitkomst: De navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2015 is terecht opgelegd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.