ECLI:NL:RBZWB:2025:8780

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/8128
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor een woning in Nederland van een in Zweden woonachtige Amerikaanse belastingplichtige

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 december 2025, wordt het beroep van een Amerikaanse belastingplichtige beoordeeld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst. De inspecteur had een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd voor het jaar 2023, welke door de rechtbank als correct werd beoordeeld. De belanghebbende, die sinds 30 juni 2022 in Zweden woont, had bezwaar gemaakt tegen de aanslag, maar was niet aanwezig op de zitting. De rechtbank concludeert dat de woning in Nederland niet als eigen woning kan worden gekwalificeerd, omdat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar verblijf in Zweden tijdelijk is. De rechtbank oordeelt dat de woning in Nederland geen recht geeft op aftrekposten voor de eigen woning, en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8128

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 oktober 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende en haar gemachtigde waren niet aanwezig.
1.4.
Gemachtigde is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 24 juli 2025 naar het adres [straat] [huisnummer met hoofdletter] , [postcode] [plaats 2] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Deze uitnodiging is op 11 augustus 2025 door PostNL retour gestuurd aan de rechtbank met daarbij als reden vermeld dat de uitnodiging niet is afgehaald. Op 21 augustus 2025 is de uitnodiging nogmaals, ditmaal per gewone post, naar voornoemd adres verzonden.
1.5.
Op het briefpapier wat is gebruikt voor het beroepschrift is als adres van gemachtigde ‘ [straat] [huisnummer met kleine letter] , [postcode] [plaats 2] ’ aangegeven. Voorts staat ook op de envelop waarmee het beroepschrift is verzonden handgeschreven ‘ [postcode] [huisnummer met hoofdletter] ’. Ook op de aanvullende stukken staat hetzelfde adres. De rechtbank heeft daarom aan de wettelijke vereisten voor de uitnodiging voldaan. Dat de post niet aankomt ligt ofwel aan het feit dat gemachtigde het verkeerde adres heeft doorgegeven, dan wel dat gemachtigde er niet voor zorgt dat op het doorgegeven adres post kan worden bezorgd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag naar de juiste hoogte is opgelegd. Daarbij is het de vraag of de woning van belanghebbende als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) gekwalificeerd dient te worden en of belanghebbende recht heeft op de aftrekposten voor de eigen woning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft de Amerikaanse nationaliteit.
4.1.
Belanghebbende was vanaf 12 november 2019 tot 30 juni 2022 inwoner van Nederland. Sinds 15 juni 2020 is belanghebbende eigenaar van de woning [adres 3] .
4.2.
Vanaf 30 juni 2022 is belanghebbende woonachtig in Zweden. Belanghebbende woont daar in een huurwoning. De huurovereenkomst liep van 30 juni 2022 tot 30 juni 2023. Hierna is de huurovereenkomst verlengd.
4.3.
De woning van belanghebbende in Nederland is in 2023 niet ter beschikking gesteld aan derden. Belanghebbende heeft geen andere eigen woning.
4.4.
Belanghebbende werkt in Zweden voor [werkgever] en heeft een contract voor onbepaalde tijd.

Motivering

Kwalificeert de woning in Nederland als eigen woning in de zin van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB voor belanghebbende?
5. Artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB luidt als volgt:

“Een woning die de belastingplichtige gedurende tenminste een jaar als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking heeft gestaan en sindsdien tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk ter beschikking staat, kan op verzoek mede worden aangemerkt als eigen woning indien gedurende die periode:

a. de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld en
b. de belastingplichtige tezamen met zijn partner niet met betrekking tot een andere woning belastbare inkomsten uit eigen woning geniet.”
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het voor deze zaak relevante criterium is of de woning "tijdelijk als hoofdverblijf niet anders dan tijdelijk ter beschikking staat". Een zin die zo in de wet staat, maar waarvan niet direct helder is wat het betekent. [1] Gelet op de wetsgeschiedenis, waaruit blijkt dat de regeling van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet ertoe strekt de eigenwoningregeling van toepassing te laten zijn in situaties waarin een woning wordt aangehouden in verband met een tijdelijke uitzending naar het buitenland, is met het eerste woord "tijdelijk" naar het oordeel van de rechtbank beoogd de toepassing van de eigenwoningregeling op een in Nederland aangehouden woning uit te sluiten in gevallen waarin het verblijf van de belastingplichtige in het buitenland een permanent karakter heeft.
5.2.
In geschil is dus de vraag of het verblijf van belanghebbende in het buitenland een permanent karakter heeft. Niet in geschil zijn de feiten dat de woning in Nederland een jaar voor het vertrek naar Zweden als eigen woning werd gekwalificeerd, dat de woning in Nederland niet is verhuurd aan derden en dat belanghebbende geen inkomsten uit eigen woning geniet vanuit een andere woning.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het verblijf in Zweden tijdelijk is. Belanghebbende heeft een werkcontract voor onbepaalde tijd. Daarnaast woont belanghebbende in Zweden in een huurwoning die langdurig gehuurd wordt. De rechtbank merkt voorts op weinig inzicht te hebben verkregen van belanghebbende over de feitelijke situatie, terwijl op belanghebbende de bewijslast rust. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het verblijf van belanghebbende in het buitenland slechts een tijdelijk karakter had. De woning in Nederland is daarom geen eigen woning in de zin van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB voor belanghebbende. Belanghebbende heeft hierdoor geen recht op de aftrekposten voor de eigen woning.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de rechter.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Wat de rechtbank Den Haag al meer dan 15 jaar geleden ook opmerkte in de uitspraak van 28 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM6214.