ECLI:NL:RBZWB:2025:8834

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/2581
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing handhavingsverzoek geluidswand in afwijking van vergunning onder Omgevingswet

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 11 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhavend op te treden tegen de realisatie van geluidswanden in afwijking van de verleende omgevingsvergunning beoordeeld. Eiser, woonachtig nabij de geluidswanden, had eerder bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen had op 14 maart 2023 het handhavingsverzoek van eiser afgewezen, wat door de rechtbank op 4 februari 2025 gedeeltelijk werd vernietigd. De rechtbank oordeelde dat het college een nieuw besluit moest nemen voor geluidswand C, maar dat de afwijzing voor de andere geluidswanden niet-ontvankelijk was. Op 1 mei 2025 heeft het college het verzoek opnieuw afgewezen, wat leidde tot het huidige beroep.

De rechtbank concludeert dat de geluidswand C, die langs het woonperceel van eiser is gebouwd, onder de nieuwe Omgevingswet vergunningsvrij kan worden uitgevoerd, omdat de technische afwijkingen van de vergunning niet meer als overtreding worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een overtreding, omdat de geluidswand niet hoger is dan 5 meter en de technische aspecten onder de nieuwe wetgeving vergunningsvrij zijn. Eiser's beroep wordt ongegrond verklaard, en er is geen aanleiding om het college te veroordelen in het terugbetalen van griffierecht. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2581

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhavend op te treden tegen de realisatie van geluidswanden in afwijking van de daarvoor verleende omgevingsvergunning.
1.1.
Het college heeft eisers verzoek met het besluit van 14 maart 2023 afgewezen. Met het besluit van 13 juli 2023 op het bezwaar van eiser heeft het college de afwijzing gehandhaafd. Op 4 februari 2025 heeft de rechtbank deze beslissing op bezwaar vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht op geluidswanden A, B, D en E en het college opgedragen voor geluidswand C een nieuw besluit te nemen. Dat heeft het college gedaan met het bestreden besluit van 1 mei 2025. Daarin heeft het college met een nadere motivering het verzoek om handhaving nogmaals afgewezen.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn echtgenote [naam 1] en mr. J.T.A. Kuijlen en [naam 2] namens het college.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiser woont op het [adres] . Dat perceel grenst aan een strook grond waarop de gemeente een nieuwe [rondweg] heeft gerealiseerd. In verband daarmee heeft het college op 4 mei 2017 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van vijf geluidswanden langs [rondweg] . Een situatieschets van de locatie van de wanden is als bijlage I bij deze uitspraak gevoegd. Eén van de geluidswanden, op de schets aangeduid als ‘C’, is gebouwd langs eisers woonperceel. De geluidswanden bestaan uit een kern van geluidwerende sandwichpanelen tussen stalen palen, met aan weerszijden schanskorven gevuld met steen.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning voor de geluidswanden. Dat bezwaar is door het college ongegrond verklaard. [1] Het daartegen ingesteld beroep is vervolgens door deze rechtbank ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen geen hoger beroep ingesteld. De verleende omgevingsvergunning is daarmee rechtens onaantastbaar geworden.
2.2.
Eiser heeft het college op 7 mei 2018 verzocht handhavend op te treden tegen de plaatsing van de fundering in afwijking van de verleende vergunning. College heeft dat verzoek op 15 juni 2018 afgewezen.
2.3.
Op 17 oktober 2022 heeft eiser het college verzocht handhavend op te treden tegen realisatie van de geluidswanden in afwijking van de omgevingsvergunning. Met het besluit van 14 maart 2023 heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen.
2.4.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Op 13 juli 2024 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de weigering om handhavend op te treden in stand gelaten.
2.5.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Op 4 februari 2025 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 13 juli 2024 vernietigd en het bezwaar van eiser gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor geluidswand C bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen. [2]
2.6.
Op 1 mei 2025 heeft het college aan de opdracht van de rechtbank voldaan en heeft hij het bezwaar van eiser alsnog ongegrond verklaard en het verzoek om handhaving met een nadere motivering afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Niet-ontvankelijkverklaring
3. Eiser vindt het onterecht dat het college hem niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar voor zover het geluidswand A,B, D en E betreft. Alle geluidswanden zijn immers met dezelfde vergunning vergund. Hij ziet vanuit zijn woning ook meerdere wanden. Hij was in de veronderstelling dat het college een heel nieuwe beslissing op bezwaar zou nemen, zodat hij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank waarin zijn bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk is verklaard.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2025 bepaald dat het bezwaar van eiser niet ontvankelijk is bij de geluidswanden die zijn aangeduid met de letters A,B, D en E. Het college en eiser hebben hier geen hoger beroep tegen ingesteld. Dat betekent dat dat dit oordeel onherroepelijk is. Het college was ook niet meer bevoegd om zelf het bezwaarschrift van eiser voor deze geluidswanden niet-ontvankelijk te verklaren. Dit heeft echter geen rechtsgevolg, omdat de rechtbank dat al had gedaan en heeft daarom ook geen juridische consequenties.
Inhoudelijke beoordeling
4. De inhoudelijke beoordeling door de rechtbank is gelet op het voorgaande beperkt tot de weigering van het college handhavend op te treden tegen realisatie in afwijking van de omgevingsvergunning van de geluidswand C, de geluidswand die langs eisers woonperceel ligt. De rechtbank beoordeelt deze weigering aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4.1.
De rechtbank merkt op dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking zijn getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. [3] Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 17 oktober 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Verder is in deze zaak de jurisprudentie relevant zoals die hierna in 6.1 aan de orde komt.
4.2.
De voor de inhoudelijke beoordeling van het beroep verder belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in bijlage II bij deze uitspraak.
Was het college bevoegd handhavend op te treden?
5. Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet is het college bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, indien de last strekt tot handhaving van regels die het gemeentebestuur uitvoert. Op grond van artikel 2.1 van de Wabo voert het college de regels omtrent het bouwen en het bestemmingsplan uit. Op grond van artikel 5:32 en 5:4 van de Awb is het college ook bevoegd een last onder dwangsom op te leggen. Het college is dus in beginsel bevoegd om handhavend op te treden.
Is er sprake van een overtreding?
6. Eiser stelt dat er sprake is van een overtreding. Er is immers in afwijking van de vergunning gebouwd: de maaswijdte en draaddikte van de gaasmatten wijkt af van wat vergund is. Vergund is een maaswijdte van 50mm x 50mm en een draaddikte van 5 mm, maar in de praktijk blijkt de maaswijdte 46mm x 46mm te zijn, met een draaddikte van 4 mm. Er is in afwijking van de omgevingsvergunning een kleinere steen gebruikt om de schanskorven te vullen, waardoor stenen uit de geluidswand steken. Volgens de tekening bij de vergunning bestaan de korven uit rechte horizontale en verticale delen. In de praktijk zijn de korven verbogen en worden de rechte lijnen onderbroken door zichtbare koppelingen tussen de korven. Tot slot zijn de schanskorven niet volledig gevuld. Eiser stelt dat de breedte van de fundering (110 cm) afwijkt van wat vergund is.
6.1.
Het college stelt dat de afwijkingen van hetgeen vergund is, onder de Omgevingswet vergunningsvrij mogen worden uitgevoerd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald dat een bestuursorgaan bij een beslissing op bezwaar moet beoordelen of onder de Omgevingswet nog steeds sprake is van een overtreding. [4] Voor geluidswanden tot 5 meter hoog geldt dat deze als technische bouwactiviteit vergunningsvrij gebouwd mogen worden. [5]
Op een geschil over een bestuurlijk sanctiebesluit blijft, zoals eiser terecht stelt, oud recht van toepassing als het verzoek om handhaving al voor 1 januari 2024 is ingediend. Hoofdregel in het bestuursrecht is dat het bestuursorgaan op grond van artikel 7:11 van de Awb op grondslag van het bezwaar het primaire besluit volledig moet heroverwegen. Daarbij moet worden getoetst aan het recht zoals dat op dat moment geldt. Dat geldt ook als een nieuw besluit moet worden genomen na vernietiging door de rechter. Voor bestuurlijke sanctiebesluiten geldt daarbij dat het bestuursorgaan moet onderzoeken of het gesanctioneerde handelen of nalaten (hierna te noemen: de gedraging), ten tijde van het primaire besluit heeft plaatsgevonden en toen verboden was.
Als het bestuursorgaan bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar tot de conclusie komt dat de gesanctioneerde gedraging ten tijde van het primaire besluit heeft plaatsgevonden en verboden was, dan moet het bestuursorgaan in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar ook onderzoeken of de gesanctioneerde gedraging nog steeds verboden is. Het bestuursorgaan moet wanneer de gedraging onder nieuw recht (gedeeltelijk) niet meer verboden is, het verzoek om handhaving afwijzen voor zover het bestuurlijke sanctiebesluit gericht is op de niet meer verboden situatie. [6]
6.2.
De rechtbank constateert dat er een vergunning is verleend voor de geluidswand. Deze is op technische aspecten uitgevoerd in afwijking van de vergunning. Planologisch gezien is er niet in afwijking van de vergunning gebouwd. Er is dus mogelijk een nieuwe vergunning nodig voor de technische bouwactiviteit. Op grond van artikel 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving is een vergunning nodig als een bouwwerk zonder dak hoger is dan 5 meter. Nu het gaat om een geluidswand die niet hoger is dan 5 meter, kan deze voor wat betreft de technische aspecten onder het nieuwe recht vergunningsvrij worden gebouwd. Voor het planologische gedeelte is een vergunning verleend en is in overeenstemming met die vergunning gebouwd. Dat betekent dat er geen sprake meer is van een overtreding en dat het college het verzoek om handhaving terecht heeft afgewezen.
Is er sprake van een herhaald verzoek?
7. Eiser stelt dat geen sprake is van een herhaald verzoek. In 2018 dacht hij dat de profielen niet goed waren geplaatst op de fundering. Nu denkt hij dat de profielen wel goed zijn geplaatst, maar de fundering niet.
7.1.
Het college stelt dat de stelling dat de fundering niet correct is geplaatst een uitbreiding van het verzoek is. Deze waren ook al geplaatst voor het handhavingsverzoek uit 2018, zodat dat ook geen nieuw feit is.
7.2.
Voor zover op de technische aspecten in afwijking van de vergunning is gebouwd, is het niet relevant of er sprake is van een herhaald verzoek of een uitbreiding van het handhavingsverzoek. Voor de technische aspecten van dit bouwwerk is immers geen vergunning (meer) nodig. Er is dus geen sprake meer van een overtreding.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
8.1.
Omdat het beroep ongegrond is er geen aanleiding om het college te veroordelen in het terugbetalen van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 11 december 2025 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage I: situatieschets

Bijlage II: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 3:4
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Artikel 5:4
2. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
Besluit Bouwwerken leefomgeving
Artikel 2.26
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk zonder dak en dat bouwwerk:
a. hoger is dan 5 m;
[…]

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 mei 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:3400.
2.Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:474.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645
4.ABRvS, 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645.
5.Artikel 2.26, eerste lid aanhef en onder a van het Besluit bouwwerken leefomgeving 2025.
6.ABRvS, 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645.