ECLI:NL:RBZWB:2025:8885

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/1349
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing van omgevingsvergunning voor woningbouw in Oisterwijk

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk. De eiseres, een stichting uit [plaats 1], was het niet eens met de verleende vergunning aan [bedrijf] B.V. voor de bouw van tien grondgebonden woningen en drie appartementen op een perceel in [plaats 1]. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college, dat op 19 augustus 2024 de omgevingsvergunning verleende. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond met een besluit op 14 januari 2025. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Tijdens de zitting op 4 december 2025 heeft de rechtbank de zaak behandeld. Eiseres betoogde dat de planregels van het bestemmingsplan in strijd zijn met hoger recht en dat de rechtbank daarom een exceptieve toetsing moest uitvoeren. De rechtbank oordeelde echter dat het bestemmingsplan niet onherroepelijk was, omdat er nog een procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State liep. Hierdoor kon de rechtbank niet toekomen aan de exceptieve toetsing van de planregels.

De rechtbank heeft ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel van eiseres afgewezen, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die dit rechtvaardigden. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond was en dat eiseres geen gelijk kreeg. Eiseres kreeg geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd openbaar uitgesproken door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1349
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.L. Schuttert),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] B.V., uit [plaats 2] ( [bedrijf] )
(gemachtigde: mr. M. Peeters).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het college aan [bedrijf] verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van tien grondgebonden woningen en drie appartementen op het perceel aan de [bestemmingsplan] in [plaats 1] . Eiseres is het niet eens met dit besluit en heeft een beroepschrift ingediend. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [bedrijf] heeft op 14 juni 2024 een aanvraag ingediend bij het college voor een omgevingsvergunning. Het college heeft met het besluit van 19 augustus 2024 deze omgevingsvergunning verleend.
2.1.
Eiseres is belangenbehartiger van [bouwwerk] die is gelegen tegenover het perceel waarvoor de omgevingsvergunning is verleend en zij heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 14 januari 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de verleende vergunning in stand gelaten. Het college heeft daarbij het advies van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Oisterwijk overgenomen.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [bedrijf] heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres [naam 1] (voorzitter), de gemachtigde van eiseres, [naam 2] namens het college, [naam 3] (directeur) en [naam 4] (aandeelhouder) namens [bedrijf] en mr. J.C.W. van Eekeren als waarnemer van de gemachtigde van [bedrijf] .
2.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Exceptieve toetsing
3. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend, omdat het bouwplan van [bedrijf] voldoet aan de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Oisterwijk , gevormd door het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (hierna: het bestemmingsplan).
3.1.
Eiseres betoogt dat artikel 6.2, onder h, van de planregels via exceptieve toetsing buiten toepassing moet worden gelaten, omdat deze bepaling evident in strijd is met hoger recht. Ter onderbouwing noemt zij twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). [1] Volgens eiseres wordt voldaan aan het evidentiecriterium, omdat het bestemmingsplan op geen enkele wijze de belangen van [bouwwerk] beschermt.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat de uitspraken waar eiseres naar verwijst betrekking hebben op situaties waarin de onderliggende besluiten tot vaststelling van de nota bodembeheer en het bestemmingsplan al onherroepelijk waren. Het college heeft terecht gewezen op een uitspraak van de Afdeling [2] waaruit volgt dat exceptieve toetsing van bestemmingsplanregels pas aan de orde is wanneer de bestemmingsplanprocedure reeds doorlopen is en het plan onherroepelijk is geworden. Deze rechtspraak bevestigt tevens de systematiek dat eerst in de planprocedure – en dus door de Afdeling – moet worden beoordeeld of de planregels in stand kunnen blijven. In dit geval loopt bij de Afdeling nog een procedure tegen de vaststelling van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is daarom niet onherroepelijk. De rechtbank komt hierdoor niet toe aan een exceptieve toetsing van artikel 6.2, onder h, van de planregels. Dat betekent dat het college terecht is uitgegaan van de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
Evenredigheid
4. Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die tot strijd met het evenredigheidsbeginsel zouden leiden. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel bij een gebonden bevoegdheid op grond van een wet in formele zin – zoals artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl – moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die de wetgever bij het vaststellen van de wet niet heeft verdisconteerd. [3] De door eiseres genoemde omstandigheden zien niet op dit wettelijk systeem. Evenmin is er sprake van de toepassing van een discretionaire bevoegdheid of het afwijken van het planregels. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres bezwaarlijk is dat zij moet wachten op de uitspraak van de Afdeling over het bestemmingsplan en dat deze uitspraak mogelijk geen effect heeft op de aan [bedrijf] verleende omgevingsvergunning. De rechtbank is echter gebonden aan het wettelijk systeem zoals dit geldt. Daarbij weegt mee dat geen verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend. De rechtbank ziet daarom geen ruimte om artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl buiten toepassing te laten wegens de door eiser gestelde strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
6. Partijen hebben de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025 door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Artikel 8.0a:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’
Artikel 6.2, onder a, b en h:
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:
binnen een afstand van 100 meter tot het middelpunt van [bouwwerk] wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 0 meter;
binnen een afstand van 100 meter tot 200 meter tot het middelpunt van [bouwwerk] wordt geen bebouwing opgericht met een bouwhoogte van meer dan 7 meter;
indien op grond van de regels voor de andere, op deze gronden voorkomende bestemmingen een hogere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a t/m e, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte zoals aangeduid op de verbeelding.

Voetnoten

1.De uitspraken van de Afdeling van 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:590 en 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2019.
2.Uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:520, r.o. 5.4.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.