ECLI:NL:RBZWB:2025:8947

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
25/3165
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 Wet BRPArt. 2.20 Wet BRPArt. 2.22 Wet BRPArt. 2.39 Wet BRP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen ambtshalve uitschrijving uit de Basisregistratie Personen

De zaak betreft een beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg om hem ambtshalve uit te schrijven uit de Basisregistratie Personen (BRP) vanwege twijfel over zijn feitelijke verblijf op het inschrijfadres.

Het college startte een adresonderzoek na signalen dat meerdere personen op hetzelfde adres stonden ingeschreven zonder daar daadwerkelijk te wonen. Diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van de woningeigenaar, waterverbruikgegevens, bankafschriften en de lage huurprijs, wezen erop dat eiser niet op het adres woonde maar het als briefadres gebruikte. Eiser betwistte dit en leverde eigen verklaringen, een verklaring van zijn dochter en bewijs van huurbetalingen aan.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht gerede twijfel had over het woonadres van eiser en dat eiser deze twijfel niet voldoende had weggenomen. De verklaring van de dochter en de latere verklaring van de woningeigenaar werden onvoldoende geacht. Het gebruik van het adres als postadres en incidenteel verblijf voldeed niet aan de criteria voor inschrijving. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitschrijving bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de ambtshalve uitschrijving uit de BRP wordt ongegrond verklaard en de uitschrijving blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3165

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J. van der Meulen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het ambtshalve besluit van het college tot het opnemen van het gegeven van het vertrek van eiser uit Nederland in de Basisregistratie Personen (BRP) (in de volksmond: uitschrijven van eiser uit de BRP). Eiser is het niet eens met deze uitschrijving en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het besluit van het college terecht is.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht heeft uitgeschreven ui de BRP omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wel op het inschrijfadres woonde. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de uitschrijving uit de BRP gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Het college werd vertegenwoordigd door mr. D.L.M. Claessen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eiser stond ingeschreven op het [adres 1] (het inschrijfadres). Het college is een adresonderzoek gestart omdat het een signaal ontving dat op dat adres meermaals mensen zijn ingeschreven, zonder dat ze er daadwerkelijk woonden.
3.1.
Op 15 april 2024 heeft het college een controle op het adres uitgevoerd, waarbij eiser niet werd aangetroffen. De woningeigenaar verklaarde dat eiser er niet woonde, maar in Polen verbleef en het adres als briefadres gebruikte, waarvoor hij aan de woningeigenaar een vergoeding betaalde.
3.2.
Op 15 mei 2024 was er telefonisch contact tussen eiser en het college. Eiser heeft daarna op 20 mei 2024 per e-mail een schriftelijke verklaring dat hij woonachtig was op het adres [adres 1] , een kamerhuurovereenkomst en screenshots van huurafschrijvingen aan het college toegestuurd. Eiser betaalde maandelijks € 75,00 aan de woningeigenaar. Ook is informatie ontvangen over het waterverbruik op het adres.
3.3.
Op 5 juni 2024 ontving het college een korte schriftelijke verklaring van de door het college aangeschreven dochter van eiser. Zij verklaart: “Naar mijn weten woont hij op dit adres. Anders had hij het vast wel gezegd.”.
3.4.
Op 21 juni 2024 heeft het college eiser geïnformeerd over het voornemen om zijn vertrek naar een onbekend land in de BRP te registreren. Op 24 juni 2024 had het college vervolgens telefonisch contact met de woningeigenaar en op 26 juni 2024 met eiser. Op 27 juni 2024 ontving het college van eiser extra screenshots van bankafschriften.
3.5.
Het college besloot op 18 juli 2024 ambtshalve om eiser uit te schrijven uit de BRP en hem te registreren als niet-ingezetene.
3.6.
Eiser maakte hiertegen bezwaar. Op 12 mei 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard in de beslissing op bezwaar (bestreden besluit).
3.7.
Met ingang van 6 november 2024 is eiser ingeschreven op een briefadres aan [adres 2] in [plaats] .
Toetsingskader
4. Het doel van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) is dat de in de BRP vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop moeten in de BRP gegevens over de feitelijke verblijfplaats van iedere betrokkene worden geregistreerd [1] .
4.1.
Op grond van artikel 1.1 Wet BRP is het woonadres het adres waar betrokkene woont, dan wel, bij verschillende adressen, het adres waar naar redelijke verwachting gedurende een halfjaar het vaakst wordt overnacht.
4.2.
Artikel 2.22 van de Wet BRP geeft het college de mogelijkheid om iemand ambtshalve uit te schrijven uit de BRP. Daarvoor moet er zijn voldaan aan drie voorwaarden:
(1) die persoon kan niet worden bereikt (op het BRP-adres);
(2) er is geen aangifte van verhuizing ontvangen; en
(3) na gedegen onderzoek zijn geen (andere) verblijf- en adresgegevens van die persoon bekend geworden.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet BRP volgt dat niet lichtvaardig tot ambtshalve uitschrijven als ingezetene uit de BRP mag worden overgegaan, omdat dit voor de ingeschrevene betekent dat de verschillende overheidsorganen (en derden) er in beginsel van uitgaan dat hij niet meer in Nederland verblijft. Zij zullen bijvoorbeeld uitkeringen en andere vormen van dienstverlening ten behoeve van betrokkene in beginsel stopzetten. [2]
4.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling houdt de eerste voorwaarde in dat de ingezetene niet daadwerkelijk woont, en daarom niet in persoon bereikbaar is, op zijn in de BRP geregistreerde woonadres. Het adresonderzoek is bedoeld om te onderzoeken of aan dit vereiste is voldaan. Artikel 2.22, eerste lid, vereist dat dit onderzoek gedegen is (derde voorwaarde). [3]
4.4.
Als bij het college na adresonderzoek in redelijkheid gerede twijfel kan bestaan of de betrokkene op het adres woont waarop hij in de BRP is ingeschreven, is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij wel op dat adres woont. [4]
Inhoudelijke beoordeling
5. Eiser heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij niet betwist dat aan de eerste twee voorwaarden uit artikel 2.22 van de Wet BRP is voldaan. Hij voert echter aan dat niet is voldaan aan de derde voorwaarde. Het college heeft immers geen gedegen onderzoek gedaan naar zijn woonadres en was vooringenomen jegens hem. De bewijslast dat hij niet op [adres 1] woonde, rust op het college en het college heeft dat bewijs niet geleverd. Ook heeft het college zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende gewaardeerd. Het feit dat hij regelmatig in Polen verblijft, is niet voldoende om te stellen dat hij zijn hoofdverblijf niet aan de [adres 1] had, zeker nu hij daar regelmatig overnachtte. Eiser meent dat hij daarnaast voldoende heeft onderbouwd dat hij juist wel op het inschrijfadres woonde, zoals blijkt uit zijn eigen verklaring, de verklaring van zijn dochter, zijn bankafschriften en de telefonische verklaring van de woningeigenaar op 26 juni 2024.
5.1.
Het college voert aan dat uit het uitgevoerde adresonderzoek is gebleken dat eiser niet feitelijk op het inschrijfadres woonde. Daarbij wijst het college allereerst op de verklaring van 15 april 2024 van de woningeigenaar. Ook was het waterverbruik veel te laag voor een bewoning door twee personen. Daarnaast duidt een huurprijs van € 75,00 niet op daadwerkelijke kamerhuur, maar op een vergoeding voor een briefadres. De gemiddelde maandelijkse kamerhuur in [plaats] bedraagt namelijk € 500,00. De verklaring van de dochter van eiser overtuigt ook niet, omdat zij ook zelf niet zeker is over de verblijfplaats van haar vader. Ook blijkt uit de bankafschriften dat gedurende langere periodes geen geldopnames of pinbetalingen in [plaats] zijn gedaan.​ Ten slotte heeft eiser zelf telefonisch verklaard dat hij zes tot zeven maanden per jaar in het buitenland verblijft.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij het college kon in redelijkheid gerede twijfel rijzen over [adres 1] als woonadres van eiser. De rechtbank komt tot dat oordeel gezien de verklaring van de woningeigenaar van 15 april 2024, het lage waterverbruik, de lage maandelijkse betaling aan de woningeigenaar, eisers eigen verklaring over zijn regelmatige verblijf in het buitenland en het ontbreken van geldopnames of pinbetalingen in (of in de buurt van) [plaats] gedurende langere periodes. Eiser heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat hij wel op het adres [adres 1] woonde. De verklaring van zijn dochter onderbouwt, gezien de door haar gekozen bewoordingen, onvoldoende waar hij woonde. Eiser heeft nog een beroep gedaan op de telefonische verklaring van de woningeigenaar van 26 juni 2024. In dat gesprek zou de woningeigenaar bij de gemeente hebben geïnformeerd of eiser wel op het adres mag wonen en vervolgens hebben verklaard dat eiser er feitelijk wel woont. Die verklaring dateert echter van na het verzenden van het voornemen om eiser uit te schrijven uit de BRP. Alleen al om die reden mocht het college aan die verklaring aanzienlijk minder waarde hechten dan aan de verklaring van de woningeigenaar van 15 april 2024.
6.1.
Tijdens de zitting heeft eiser ook zelf toegelicht dat hij gedurende vijf of zes maanden per jaar niet in Nederland is en dat hij, wanneer hij wel in Nederland is, op verschillende adressen verblijft. Het adres [adres 1] gebruikt hij met name om post te ontvangen en om te kunnen overnachten als hij bijvoorbeeld niet bij zijn zus kan of wil overnachten. Eiser meent dat [adres 1] dan kan worden aangemerkt als woonadres. Daarin kan hij niet worden gevolgd. Zoals hiervoor is overwogen, moeten de gegevens in de BRP zo betrouwbaar mogelijk zijn en moet daarin de feitelijke verblijfplaats van een ingezetene worden geregistreerd. Een adres dat iemand ‘achter de hand houdt’ voor onder meer het ontvangen van post voldoet niet aan dat criterium.
7. De conclusie is dat het college op grond van het adresonderzoek in redelijkheid gerede twijfel heeft gekregen over de inschrijving van eiser op [adres 1] in [plaats] en dat eiser die gerede twijfel niet heeft weggenomen door aannemelijk te maken dat hij daar wel woont. De stelling van eiser dat het college vooringenomen heeft gehandeld, heeft hij niet onderbouwd, zodat die stelling alleen al daarom niet kan leiden tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitschrijving uit de BRP in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 16 december 2025 gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, en openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet basisregistratie personen (Wet BRP)
artikel 2.20, eerste en tweede lid
Aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, worden gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.
Indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.
artikel 2.22
Indien een ingezetene niet kan worden bereikt, van hem geen aangifte van wijziging van zijn adres of van vertrek is ontvangen als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, of 2.21, eerste lid, en na gedegen onderzoek geen gegevens over hem kunnen worden achterhaald betreffende het verblijf in Nederland, het vertrek uit Nederland noch het volgende verblijf buiten Nederland, draagt het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente ambtshalve zorg voor de opneming van het gegeven van het vertrek van de ingezetene uit Nederland.
Als datum van vertrek uit Nederland en van opheffing van het adres wordt de dag opgenomen waarop het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het vertrek is bekendgemaakt.
artikel 2.39
De ingezetene die zijn adres wijzigt doet hiervan schriftelijk aangifte bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft.
Hij doet niet eerder aangifte dan vier weken vóór de beoogde datum van adreswijziging en niet later dan de vijfde dag na de adreswijziging. Hij doet in de aangifte mededeling van de datum van adreswijziging en van de gegevens over het nieuwe en het vorige adres.
Indien een ingezetene geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Voetnoten

1.Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1592, r.o. 4.1.
2.Kamerstukken II 2011/12, 33 219, nr. 3, p. 42.
3.Zie uitspraak van de Afdeling van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1592.
4.Zie uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019, ECLI:RVS:2019:1145, r.o. 4.1.