ECLI:NL:RBZWB:2025:9006

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/213
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over geheimhouding in belastingzaak met inspecteur van de Belastingdienst

Op 17 december 2025 heeft de enkelvoudige geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een beslissing genomen in de zaak tussen een belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst. De inspecteur had op 8 mei 2024 een verzoek om geheimhouding ingediend, waarin hij stelde dat bepaalde stukken geheim moesten blijven vanwege privacyredenen en strategische overwegingen. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek en betoogd dat de inspecteur onvoldoende uitleg had gegeven en dat er geen gewichtige redenen waren voor geheimhouding. De rechtbank heeft de geheimhoudingskamer in staat gesteld om het verzoek te beoordelen zonder een mondelinge behandeling, omdat de belanghebbende geen zitting had aangevraagd.

De geheimhoudingskamer heeft de stukken beoordeeld en geconcludeerd dat de privacy van ambtenaren en derden, evenals de vertrouwelijkheid van intern beraad, gewichtige redenen zijn voor geheimhouding. De kamer heeft echter ook vastgesteld dat niet alle verzoeken om geheimhouding gerechtvaardigd zijn. De inspecteur werd opgedragen om een geschoonde versie van bepaalde stukken te overleggen, waarbij namen en andere persoonsgegevens gelakt mochten worden. De beslissing is openbaar gemaakt en de inspecteur is verzocht om binnen zes weken te reageren op de beslissing van de geheimhoudingskamer.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/213
beslissing van de enkelvoudige geheimhoudingskamer van 17 december 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats] ( [land] ), belanghebbende
(gemachtigde: mr. J.W.J.M. Huenges Wajer),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Het verzoek

1.1.
De inspecteur heeft, met dagtekening 8 mei 2024, een verweerschrift ingediend. Verder heeft hij bij afzonderlijke brief van 8 mei 2024 (de brief van 8 mei 2024) een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan. In die brief is het verzoek om geheimhouding toegelicht. Bij de brief van 8 mei 2024 heeft de inspecteur een gesloten enveloppe overgelegd met daarin 140 stukken, genummerd G1 tot en met G140, die volgens de inspecteur deels geheimgehouden moet worden (de geheimgehouden stukken). De rechtbank heeft een afschrift van het verweerschrift, met bijlagen, en van de brief van 8 mei 2024 aan belanghebbende verstrekt.
1.2.
Belanghebbende heeft bij brief van 29 mei 2024 gereageerd op het verzoek van de inspecteur. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij niet akkoord gaat met geheimhouding. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur geen dan wel een zeer geringe uitleg heeft gegeven van zijn verzoek, terwijl sprake is van een grote inperking op de beginselen van het procesrecht van belanghebbende. Ten aanzien van het anonimiseren van namen van ambtenaren wijst belanghebbende erop dat de inspecteur deze namen had kunnen coderen. Tot slot meent belanghebbende dat ook reeds bij haar bekende stukken moeten worden overgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het verzoek toegelicht en heeft als gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb de volgende redenen opgegeven:
  • privacy van ambtenaren en of derden (ten aanzien van delen van alle geheimgehouden stukken);
  • vertrouwelijkheid van intern beraad en onbelemmerde gedachtenvorming (ten aanzien van de stukken genummerd G3, G2, G16, G18 tot en met G20, G23 tot en met G26, G30, G32 tot en met G38, G40 tot en met G44, G46 tot en met G51, G58 tot en met G70, G72 tot en met G88, G91 tot en met G95, G97 en G99);
  • strategische overwegingen (ten aanzien van de stukken genummerd G1, G2, G5 tot en met G8, G10, G11, G13 tot en met G15, G17, G22, G27 tot en met G29, G31, G44, G45, G49 tot en met G51, G54, G71, G89, G90, G96, G99 en G108 tot en met G131).
1.4.
Bij het verweerschrift is een (geschoonde) inhoudsopgave gevoegd van de 140 geheimgehouden stukken (de inhoudsopgave) met daarin, per stuk, kort de reden van het verzoek tot geheimhouding. Aan de geheimhoudingskamer is een ongeschoonde versie verstrekt van de inhoudsopgave. Bij beoordeling door de geheimhoudingskamer is gebleken dat de ongeschoonde versie van de inhoudsopgave niet compleet was. Daarop heeft de griffier van de geheimhoudingskamer een complete versie van de inhoudsopgave opgevraagd bij de inspecteur. Voorts heeft de griffier de inspecteur gevraagd om een motivering van het verzoek om geheimhouding voor wat betreft de documentnamen in de inhoudsopgave. Tot slot heeft de griffier de inspecteur gevraagd om specifiek aan te geven waar bepaalde stukken zich bevinden in het dossier van de hoofdzaak.
1.5.
Bij brief van 22 september 2025 heeft de inspecteur een volledige ongeschoonde versie van de inhoudsopgave aan de geheimhoudingskamer overgelegd. De inspecteur heeft daarbij tevens gereageerd op de in 1.4 bedoelde vragen.

2.Overwegingen

Geen zitting
2.1.
De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. [1] De geheimhoudingskamer heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat belanghebbende niet heeft verzocht om een zitting, nadat de rechtbank haar de mogelijkheid had geboden om te melden of zij prijs stelt op een zitting en dat belanghebbende zich op schrift heeft kunnen uitlaten over de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding.
Kader voor beoordeling
2.2.
De geheimhoudingskamer heeft kennis genomen van de (deels) geheimgehouden stukken, veronderstellende dat deze onderdeel zijn van de stukken die op de zaak betrekking hebben in de zin van artikel 8:42 van de Awb. Hetgeen is bepaald in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van (delen van) stukken te weigeren (geheimhouding) of de geheimhoudingskamer mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).
2.2.1.
Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt:
a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door een partij worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding).
b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).
2.2.2.
Uit de toelichting in de brief van 8 mei 2024 leidt de geheimhoudingskamer af dat de inspecteur zich beroept op variant b. als bedoeld in 2.2.1. In artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat variant b alleen is toegestaan met toestemming van de belanghebbende. Nu uit de stukken niet blijkt dat belanghebbende deze toestemming verleent, neemt de geheimhoudingskamer, mede uit het oogpunt van een doelmatige procesgang, aan dat de inspecteur verzoekt om toepassing van variant a.
2.2.3.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
Vooraf
2.3.
De geheimhoudingskamer constateert dat de stukken die zijn genummerd G29, G90 en G93 in ongeschoonde vorm bij het verweerschrift zijn gevoegd. Nu deze stukken in ongeschoonde vorm al aan belanghebbende zijn verstrekt, zal de geheimhoudingskamer deze stukken logischerwijs niet in de beoordeling betrekken.
Beoordeling van het verzoek
2.4.
De geheimhoudingskamer heeft de (deels) geheimgehouden stukken onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover het belang van de inspecteur om de stukken geheim te houden.
Vooraf
2.5.
In de brief van 22 september 2025 stelt de inspecteur dat de documentnamen in de inhoudsopgave zijn gelakt om redenen van privacy van personen en bedrijven, van recht op (vertrouwelijkheid) van intern beraad en onbelemmerde gedachtenvorming door de inspecteur en van een effectieve strategie- en positiebepaling.
2.5.1.
De geheimhoudingskamer wijst het verzoek toe voor zover het de namen van personen en bedrijven betreft (zie 2.6 voor de motivering). Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is voor het overige geen sprake van intern beraad en onbelemmerde gedachtenvorming en evenmin van strategie- en positiebepaling. De geheimhoudingskamer draagt de inspecteur dan ook op alsnog een geschoonde versie van de inhoudsopgave aan de hoofdkamer te overleggen, waarbij de in dit stuk voorkomende namen gelakt mogen worden. Volledige geheimhouding van dit stuk wordt dus afgewezen.
2.5.2.
In de brief van 8 mei 2024 stelt de inspecteur dat het stuk genummerd G39 om privacy redenen van ambtenaren enkel ongeschoond is overgelegd.
2.5.3.
De geheimhoudingskamer wijst het verzoek toe voor zover het gegevens van ambtenaren betreft (zie 2.6 voor de motivering). Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer bevat het stuk genummerd G39 niet louter privacygevoelige gegevens van ambtenaren. De geheimhoudingskamer draagt de inspecteur dan ook op alsnog een geschoonde versie van het stuk genummerd G39 aan de hoofdkamer te overleggen, waarbij de in dit stuk voorkomende namen, e-mailadressen en telefoonnummers gelakt mogen worden. Volledige geheimhouding van dit stuk wordt dus afgewezen.
2.5.4.
Verder stelt de inspecteur in de brief van 8 mei 2024 dat het stuk genummerd G55 niet nogmaals ongeschoond is verstrekt, omdat dit stuk al is opgenomen onder de stukken genummerd G21.
2.5.5.
De geheimhoudingskamer stelt voorop dat belanghebbende in haar brief van 29 mei 2024 niet heeft gereageerd op de in 2.5.4 bedoelde stelling van de inspecteur. Nu de geheimhoudingskamer geen reden heeft om de twijfelen aan de juistheid van de hiervoor bedoelde stelling van de inspecteur, zal de geheimhoudingskamer de inspecteur niet opdragen om het stuk genummerd G55 nogmaals te overleggen.
2.5.6.
Daarnaast stelt de inspecteur in de brief van 8 mei 2024 dat het stuk genummerd G57 vooralsnog, om privacy redenen van derden en om strategische redenen enkel ongeschoond is overgelegd.
Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank dit stuk meenemen in de beoordeling hieronder.
2.5.7.
Tot slot stelt de inspecteur in de brief van 8 mei 2024 dat het stuk genummerd G86 om strategische redenen enkel ongeschoond is toegezonden.
2.5.8.
De geheimhoudingskamer overweegt dat het stuk genummerd G86 een concept betreft van het rapport dat door belanghebbende als productie 2 bij de motivering van het beroepschrift is overgelegd, waarop op- en aanmerkingen zijn geplaatst door belastingambtenaren. De eindversie van het hiervoor bedoelde rapport behoort tot de gedingstukken. Gelet op de aard van de wijzigingen en opmerkingen, mag de inspecteur naar het oordeel van de geheimhoudingskamers die delen geheimhouden. Wat overblijft zijn de tekstdelen opgenomen in het eindrapport en de geheimhoudingskamer ziet geen praktisch nut om de inspecteur op te dragen de zwartgelakte conceptversie te overleggen nu daar dan feitelijk alleen teksten in staan die ook in het eindrapport staan.
(Persoons)gegevens van derden en belastingambtenaren
2.6.
In de overige geschoonde stukken zijn, soms op verschillende pagina’s, (persoons)gegevens van derden en belastingambtenaren, waaronder namen van natuurlijke personen en rechtspersonen, (e-mail)adressen, telefoon- en faxnummers, BTW-nummers, bankrekeningnummers en internetadressen, om redenen van privacy onleesbaar gemaakt. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dit in beginsel gerechtvaardigd, omdat het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende en de rechtbank bij kennisneming daarvan.
De geheimhoudingskamer merkt op dat in de geheimgehouden stukken ten aanzien van Nederlandse en buitenlandse ambtenaren van de Belastingdienst telkens (in sommige stukken komt dit meermaals voor) het kantoor en het onderdeel van de inspectie waarvoor zij werkzaam zijn, de plaats waar dit kantoor is gevestigd en de functie die zij destijds uitoefenden is gelakt. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is ter zake van die passages geen sprake van persoonsgegevens.
2.6.1.
De geheimhoudingskamer stelt vast dat sommige passages overige informatie over en van derden bevatten. Dit is bijvoorbeeld het geval als in de stukken de (fiscale) aangelegenheden van derden zijn besproken. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat ook in die gevallen het belang van de privacy van derden aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming daarvan.
‘Naam-Nummerlijst’?
2.6.2.
In de geschoonde stukken zijn, soms op meerdere pagina’s, persoonsgegevens van Nederlandse en buitenlandse (belasting)ambtenaren, waaronder namen, telefoonnummers en e-mailadressen, om redenen van privacy onleesbaar gemaakt. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is dat terecht. Belanghebbende meent dat een Naam-Nummerlijst moet worden opgemaakt zodat de betrokken ambtenaren individualiseerbaar zijn.
De geheimhoudingskamer overweegt dat het aan de rechter is die een inhoudelijk oordeel zal vellen om te beoordelen in hoeverre de inspecteur hier nog inlichtingen over moet verstrekken.
Juridisch intern beraad en gedachtenvorming
2.7.
Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zijn de gelakte passages in de stukken genummerd G23 en G61, ten aanzien waarvan de inspecteur zich beroept op vertrouwelijkheid van intern beraad, niet aan te merken als juridisch intern beraad, waarbij de in deze stukken voorkomende namen, e-mailadressen en telefoonnummers wel gelakt mogen worden. Volledige geheimhouding van deze stukken wordt dus afgewezen.
2.7.1.
Ten aanzien van de overige geheimgehouden delen van de stukken waarvan de inspecteur stelt dat sprake is van juridisch intern beraad overweegt de geheimhoudingskamer dat het belang van vrije bepaling van procespositie een belang kan zijn dat geheimhouding van stukken op grond van artikel 8:29 van de Awb kan rechtvaardigen. [2] Dat kan anders zijn indien de inhoud van die stukken ook bijvoorbeeld niet aan belanghebbende bekende feitelijke informatie bevat, waardoor het (verdedigings)belang van belanghebbende in het gedrang zou kunnen komen, maar dat is de geheimhoudingskamer hier niet gebleken. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer is, gelet op de aard en inhoud van de onleesbaar gemaakte passages, in beginsel geheimhouding gerechtvaardigd van de (delen van) stukken die zien op juridisch intern beraad en onbelemmerde gedachtenvorming. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat daarmee sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
(Controle-)strategische informatie
2.8.
De geheimhoudingskamer overweegt dat in de gelakte passages ten aanzien waarvan de inspecteur zich beroept op strategische overwegingen sprake is van (controle-/)tactische en strategische overwegingen. Dergelijke overwegingen hebben betrekking op de effectiviteit van het door de Belastingdienst uit te oefenen toezicht op de naleving van belastingwetten (zie de in voetnoot 2 van deze beslissing genoemde uitspraak van Gerechtshof Amsterdam). Het belang van effectiviteit van dit toezicht weegt naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze passages. Het verzoek om geheimhouding van deze passages is dan ook gerechtvaardigd.
Conclusie
2.9.
Al hetgeen hiervoor is overwogen betekent dat het verzoek om geheimhouding van (delen van) de geheimgehouden stukken deels gerechtvaardigd en deels niet gerechtvaardigd is. De inspecteur wordt door de geheimhoudingskamer in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken – gelet op de komende vakantieperiode iets langer dan gebruikelijk – na verzending van deze beslissing schriftelijk aan de rechtbank mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt. Dit houdt in dat hij de keuze moet maken de beslissing van de geheimhoudingskamer (geheel) na te leven of dat niet (geheel) te doen, in welk laatste geval hij de uit toepassing van artikel 8:31 van de Awb mogelijkerwijs voortvloeiende consequenties daarvan zal moeten aanvaarden. [3]

3.Beslissing

De geheimhoudingskamer:
- wijst het verzoek om geheimhouding af voor zover het betreft:
- de inhoudsopgave, met uitzondering van de in dat stuk voorkomende namen, die gelakt mogen worden;
- het stuk genummerd G39, met uitzondering van de in dat stuk voorkomende namen, e-mailadressen en telefoonnummers, die gelakt mogen worden;
- ten aanzien van de ambtenaren van de Belastingdienst als ook de ambtenaren van de buitenlandse tegenhanger van de Belastingdienst, telkens het kantoor en onderdeel van de inspectie waarvoor zij werkzaam zijn, de plaats waar dit kantoor is gevestigd en de functie die zij destijds uitoefenden;
- de stukken genummerd G23 en G61, met uitzondering van de in die stukken voorkomende namen, e-mailadressen en telefoonnummers, die gelakt mogen worden;
  • wijst het verzoek om geheimhouding voor het overige toe;
  • verzoekt de inspecteur om binnen zes weken na verzending van deze beslissing aan de rechtbank te berichten of hij bereid is de stukken ten aanzien waarvan het verzoek om geheimhouding is afgewezen in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van zes weken na verzending van deze beslissing.
Deze beslissing is genomen door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 17 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.
2.Vgl. conclusie van mr. P.J. Wattel van 25 april 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BA3851 en Gerechtshof Amsterdam 4 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4228.
3.Zie Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600.