Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[minderjarige 1], geboren te [plaats] op [geboortedag] 2017, en
[minderjarige 2], geboren te [plaats] op [geboortedag] 2017.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 11 december 2025 een verschoningsverzoek afgewezen dat was ingediend door de rechter die belast was met de behandeling van de hoofdzaak. De hoofdzaak betreft een verzoek van de man om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot omgang met zijn minderjarige kinderen. De man had eerder een wrakingsverzoek ingediend, maar dit werd ingetrokken. De rechter heeft in zijn verschoningsverzoek aangegeven dat er een impasse is ontstaan en dat hij zich zorgen maakt over de mogelijkheid dat de man zich niet gehoord zal voelen als hij de behandeling voortzet. De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek tot verschoning niet was gebaseerd op een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid, maar eerder op de kans dat de man zich niet gehoord zou voelen. De rechtbank heeft benadrukt dat een rechter vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn. De verschoningskamer heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding was om het verzoek toe te wijzen en dat de hoofdzaak voortgezet kan worden door de oorspronkelijke rechter. De beslissing is genomen in raadkamer en wordt openbaar gemaakt.