ECLI:NL:RBZWB:2025:9023

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/02/442626 HA RK 25-265 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een verschoningsverzoek in een omgangszaak met minderjarigen

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 11 december 2025 een verschoningsverzoek afgewezen dat was ingediend door de rechter die belast was met de behandeling van de hoofdzaak. De hoofdzaak betreft een verzoek van de man om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot omgang met zijn minderjarige kinderen. De man had eerder een wrakingsverzoek ingediend, maar dit werd ingetrokken. De rechter heeft in zijn verschoningsverzoek aangegeven dat er een impasse is ontstaan en dat hij zich zorgen maakt over de mogelijkheid dat de man zich niet gehoord zal voelen als hij de behandeling voortzet. De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek tot verschoning niet was gebaseerd op een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid, maar eerder op de kans dat de man zich niet gehoord zou voelen. De rechtbank heeft benadrukt dat een rechter vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn. De verschoningskamer heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding was om het verzoek toe te wijzen en dat de hoofdzaak voortgezet kan worden door de oorspronkelijke rechter. De beslissing is genomen in raadkamer en wordt openbaar gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Verschoningskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02/442626 HA RK 25-265
beslissing van 11 december 2025
in de zaak van
mr. [rechter]
rechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant
hierna: de rechter
belast met de behandeling van de hoofdzaak met kenmerk C/02/434219 / FA RK 25-1916 van
[de man]
hierna te noemen: de man,
wonende in [plaats]
advocaat: mr. E.M.A. Leijser te Tilburg,
tegen
[de vrouw]
hierna te noemen: de vrouw,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. Y.I.B. Grosfeld te Breda,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren te [plaats] op [geboortedag] 2017, en
-
[minderjarige 2], geboren te [plaats] op [geboortedag] 2017.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het verschoningsverzoek van de rechter van 2 december 2025.
1.2
Er heeft geen mondelinge behandeling van het verschoningsverzoek plaatsgevonden.

2.De feiten

2.1
De man heeft een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot omgang tussen hem en de minderjarigen.
2.2
In de beschikking van 21 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5652, heeft de rechter de man, de vrouw en de minderjarigen verwezen naar het Uniform Hulp Aanbod, en bepaald dat dit traject moet worden afgewacht voordat gestart kan worden met begeleide omgang.
2.3
Op 21 oktober 2025 is de bodemzaak op een zitting besproken. De man heeft aanvankelijk een wrakingsverzoek jegens de rechter gedaan, maar na een schorsing dit wrakingsverzoek weer ingetrokken en meegedeeld de gehele procedure te willen intrekken. In overleg met de betrokken advocaten heeft de rechter vervolgens besloten om de zaak aan te houden.
2.4
Bij brief van 5 november 2025 heeft de man aan de rechter meegedeeld zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toch niet te willen intrekken. Ook heeft hij meegedeeld te ervaren dat er onvoldoende oog is voor zijn positie als vader en daarom een beroep te doen op de rechtbank om een andere rechter te benoemen die het verzoek inhoudelijk zal behandelen. De advocaat van de vrouw heeft in reactie hierop laten weten geen aanleiding te zien om een andere rechter te benoemen.

3.Het verschoningsverzoek

3.1
In zijn verschoningsverzoek heeft de rechter de huidige stand van zaken benoemd als een impasse. Ook heeft hij de vraag opgeworpen hoe het verzoek van de advocaat van de man moet worden opgevat. Wordt er een wrakingsverzoek gedaan, of wordt het aan de rechtbank en hemzelf overgelaten om de zaak al dan niet over te dragen aan een andere rechter?
3.2
Omdat er volgens de rechter een aanmerkelijke kans is dat de man zich niet gehoord zal voelen als de behandeling door hem zal worden voortgezet zonder echt stil te staan bij deze impasse, heeft de rechter een verschoningsverzoek ingediend.

4.Het wettelijk kader

4.1
Op grond van artikel 40, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv. Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.De beoordeling

5.1
Aangezien in de brief van de man van 5 november 2025 geen melding wordt gemaakt van een vrees van partijdigheid van de rechter, is deze brief niet aan te merken als een wrakingsverzoek.
5.2
De Rechtspraak heeft een Code zaakstoedeling [1] vastgesteld om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters worden toebedeeld. In deze code is bepaald dat een rechterswisseling, nadat de naam van de rechter die de zaak behandelt aan partijen bekend is gemaakt, in beginsel niet mogelijk is anders dan na een formeel verschoningsverzoek. Dit houdt in dat de rechter die de zaak behandelt aan de verschoningskamer verzoekt om een andere rechter aan te wijzen. Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters. Een verschoningsverzoek komt voor toewijzing in aanmerking wanneer er een vrees voor onpartijdigheid van een rechter bestaat die objectief gerechtvaardigd is. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan een verschoningsverzoek onder omstandigheden ook worden toegewezen als een rechter zelf vindt dat hij niet volledig onpartijdig zal kunnen oordelen.
5.3
Het verschoningsverzoek in deze zaak is gelet op de bewoordingen daarvan niet gedaan vanwege het bestaan van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Het verzoek is gedaan vanwege een (aanmerkelijke) kans dat één van de partijen in de hoofdzaak zich onvoldoende gehoord zal voelen als de rechter de behandeling voortzet zonder eerst bij de ontstane situatie stil te staan. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de rechter zelf de overtuiging heeft dat hij niet meer volledig onpartijdig zal kunnen oordelen. De verschoningskamer komt daarom tot de conclusie dat er geen aanleiding is om het verschoningsverzoek toe te wijzen. Dit betekent dat de rechter zelf in de hoofdzaak zal moeten oordelen. Hierbij merkt de verschoningskamer nog op dat door de behandeling van het verzoek van de rechter reeds is stilgestaan bij de ontstane situatie. Indien dit nog verdere bespreking behoeft, kan dit tijdens de behandeling van de hoofdzaak plaatsvinden.
5.4
Het uitgangspunt van het Protocol verschoning rechtbank Zeeland-West-Brabant per 1 april 2021 [2] is dat een verschoningsverzoek niet op een zitting wordt behandeld. In de mededeling van de rechter in het verschoningsverzoek dat hij er geen bezwaar tegen heeft om onder leiding van de verschoningskamer met de man en de vrouw het gesprek aan te gaan, heeft de verschoningskamer geen aanleiding gezien om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is namelijk uitsluitend de taak van de verschoningskamer om te beoordelen of er een rechterswisseling moet plaatsvinden, en voor dat oordeel is in deze zaak gelet op wat hiervoor is overwogen geen zitting nodig.

6.De beslissing

De verschoningskamer:
6.1
wijst het verzoek tot verschoning af;
6.2
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond op het moment dat het verschoningsverzoek werd ingediend;
6.3
beveelt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan:
 de rechter;
 de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is;
 de partijen in de hoofdzaak.
Deze beslissing is genomen in raadkamer op 11 december 2025 door mr. ing. Th. Peters, rechter en voorzitter, en mr. G.M.J. Kok en mr. M. Breeman, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze
beslissing mede te ondertekenen.
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Code%20zaaktoedeling%20-%20met%20preambule.pdf
2.https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/protocol-verschoning-rbzwb.pdf