Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen BPM voor drie auto's. De rechtbank oordeelt dat het beroep voor de Ferrari (zaak 23/10766) gegrond is vanwege een te hoge naheffingsaanslag, terwijl de beroepen voor de BMW en Ford (zaaknummers 23/10765 en 23/10767) ongegrond zijn.
De kern van het geschil betrof de waardering van de auto's, met name de handelsinkoopwaarde en de toepassing van waardevermindering wegens schade. De rechtbank stelt vast dat de auto met essentiële gebreken niet in aanmerking komt voor waardevermindering, maar voor de Ferrari is schade aannemelijk gemaakt en erkent de rechtbank een schadebedrag gebaseerd op een verzekeringsuitkering.
Belanghebbende stelde ook dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat de inspecteur na lange tijd geen naheffingsaanslag zou opleggen. De rechtbank verwierp dit omdat de wettelijke termijn niet was overschreden en er geen concrete toezeggingen waren gedaan.
De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag voor de Ferrari met € 9.717 en stelt het totaalbedrag van de naheffingsaanslag vast op € 23.340. Tevens kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 3.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 2.129 voor rekening van de inspecteur en € 871 voor de Staat. Proceskosten en griffierecht worden aan belanghebbende toegekend.