Belanghebbende heeft BPM betaald voor een gebruikte Maserati Ghibli en bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de BPM-heffing. De Inspecteur heeft het bezwaar gedeeltelijk gehonoreerd, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank heeft de handelsinkoopwaarde van de auto vastgesteld op basis van een waardevermindering wegens schade van 81% van de herstelkosten en heeft een teruggaaf van BPM toegekend, inclusief een kostenvergoeding.
Zowel belanghebbende als de Inspecteur stelden hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende voerde diverse formeelrechtelijke grieven aan, waaronder dat nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen, dat het vooraf heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht, en dat de proceskostenvergoeding te laag is vastgesteld. Het Hof oordeelde dat nationale rechters het Unierecht wel mogen toepassen, dat het vooraf heffen van griffierecht geen onoverkomelijk obstakel vormt, en dat de proceskostenvergoeding moet worden aangepast naar het tarief van 2024.
Het Hof stelde vast dat de auto geen essentiële gebreken vertoont en dat de waardevermindering wegens schade niet meer dan 81% van de herstelkosten bedraagt. Het hoger beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard vanwege het te lage tarief voor de proceskostenvergoeding, terwijl het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond bleef. De Inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten, met een totale vergoeding van € 5.250.