ECLI:NL:RBZWB:2025:9036

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/7003
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging in belastingzaak

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke belastingzaak betreffende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2019. De erven van de overledene hadden beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de Belastingdienst.

Het beroep werd ingediend door een gesteld gemachtigde, die echter geen machtiging overlegde om namens de belanghebbenden op te treden. Ondanks een verzoek van de rechtbank om dit verzuim binnen vier weken te herstellen en een verlenging van de termijn, heeft de gemachtigde geen machtiging noch verklaring van erfrecht ingediend.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van de machtiging niet verontschuldigbaar was en verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk. Hierdoor werd het bestreden besluit niet inhoudelijk beoordeeld en bleef het in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7003

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

de erven van [erflater] , domicilie kiezende in [plaats] , belanghebbenden

(gesteld gemachtigde: mr. A. Bennenbroek),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbenden tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 23 augustus 2024. Het beroep ziet op de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2019 met [aanslagnummer] H.96.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat gesteld gemachtigde geen machtiging heeft ingediend en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbenden. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit beroep in te stellen namens belanghebbenden. De rechtbank heeft hem in haar bericht van 17 oktober 2024 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Daarnaast is gesteld gemachtigde ook in de gelegenheid gesteld om een verklaring van erfrecht in te dienen. Op 14 november 2024, ontvangen op 15 november 2024, heeft gesteld gemachtigde verwezen naar de brief van 17 oktober 2024 en heeft gevraagd om uitstel om het beroepschrift te motiveren tot uiterlijk 20 november 2024. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en gesteld gemachtigde in de gelegenheid gesteld tot uiterlijk 22 november 2024 te reageren. Op 21 november 2024, ontvangen op 22 november 2024, heeft gesteld gemachtigde een brief gestuurd met motivering. In deze brief staat de volgende tekst dikgedrukt en onderstreept: “De volmacht en de verklaring van erfrecht stuur ik u per separate post na binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief.”. Gesteld gemachtigde heeft binnen die termijn en tot op heden geen machtiging en geen verklaring van erfrecht ingediend.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 18 december2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.