ECLI:NL:RBZWB:2025:9041

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/7133
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht bij loonheffingen PGB

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de inspecteur van de Belastingdienst over de inhouding van loonheffingen bij een PGB over het kalenderjaar 2023. Tijdens de procedure heeft belanghebbende per e-mail aangegeven de zaak te hebben opgelost en te willen intrekken, maar deze intrekking was niet persoonlijk ondertekend, waardoor de rechtbank de zaak inhoudelijk moest behandelen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het griffierecht van €51,- niet tijdig is betaald. De griffier heeft belanghebbende meerdere keren schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid en betalingstermijnen van het griffierecht, waarbij aangetekende brieven en gewone post werden gebruikt. Belanghebbende heeft echter geen betaling verricht en ook geen verontschuldiging voor het niet betalen gegeven.

Op grond van artikel 8:41 en Pro 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht verklaart de rechtbank het beroep daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld en het bestreden besluit van de Belastingdienst in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier R.P.A.G. Dekkers op 18 december 2025, en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een verzetschrift indienen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7133

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] ( [land] ), belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 september 2024. Het beroep ziet op de inhouding van loonheffingen bij PGB (pensioenen) met [nummer] over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023.
1.1.
Belanghebbende heeft op 21 mei 2025 een e-mail verzonden aan het algemene e-mailadres van de rechtbank dat de zaak is opgelost met de Belastingdienst en de zaak wordt ingetrokken. De rechtbank heeft belanghebbende op 23 mei 2025 geïnformeerd dat een intrekking alleen kan worden verwerkt als deze persoonlijk is ondertekend. Omdat de rechtbank geen intrekking heeft ontvangen die door belanghebbende is ondertekend, doet de rechtbank uitspraak in deze zaak.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van Pro de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 51,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
Heeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?
4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 6 maart 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De envelop waarin de aangetekende brief is verzonden, is op 20 maart 2025 terugontvangen met de vermelding “Unknown”. Bij gewone brief van 25 maart 2025 is de brief van 6 maart 2025 nogmaals gestuurd, nu met het verzoek om het griffierecht uiterlijk 8 april 2025 te voldoen.
4.1
Vanwege een kleine verschrijving in het adres, heeft de griffier belanghebbende bij brief van 25 april 2025 nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen zes weken moet zijn voldaan. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 6 mei 2025 om 09:21 uur is bezorgd.
4.2
Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
5. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 18 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.