ECLI:NL:RBZWB:2025:9045

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/5901
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake dwangsombeschikking belastingrecht

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de inspecteur van de Belastingdienst waarin een verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift werd afgewezen. Het bezwaarschrift betrof een brief van 27 maart 2023, die niet kon worden overgelegd omdat deze niet meer terug te vinden was. De rechtbank heeft onderzocht of zij bevoegd is om over deze zaak te oordelen.

De rechtbank concludeert dat de belastingrechter alleen bevoegd is als het geschil verband houdt met een voor bezwaar vatbare beschikking op grond van de belastingwet. In dit geval is niet gebleken dat de brief van 27 maart 2023 een dergelijke beschikking is. Het bezwaarschrift lijkt te gaan over de registratie van belanghebbende als ondernemer, wat geen voor bezwaar vatbare beschikking betreft. Dit betekent dat de belastingrechter en de algemene bestuursrechter niet bevoegd zijn en dat de burgerlijke rechter hiervoor bevoegd is.

Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de dwangsombeschikking. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 18 december 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5901

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de beslissing van de inspecteur van 11 juni 2024. Het beroep ziet op het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 4 mei 2023 en het toepassen van de dwangsomregeling.
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende heeft op 5 augustus 2024 beroep ingediend. Hierbij heeft belanghebbende een brief toegevoegd van de inspecteur van 11 juni 2024, waarin de inspecteur aangeeft dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom omdat de brief waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt geen beslissing is waartegen bezwaar openstaat. Belanghebbende heeft op 4 mei 2023 bezwaar ingediend tegen een brief van 27 maart 2023.
2.1
De rechtbank heeft op 6 september 2024 verzocht om de brief van 27 maart 2023 en het bezwaarschrift van 4 mei 2023 te overleggen. Op 4 oktober 2024 heeft belanghebbende aangegeven dat het niet mogelijk is om de brief van 27 maart 2023 te overleggen, omdat de brief niet terug te vinden is. Het bezwaarschrift van 4 mei 2023 heeft belanghebbende wel overgelegd.
2.2
In de wet is bepaald dat het bestuursorgaan bij niet tijdig beslissen een dwangsom verschuldigd is aan de aanvrager van een beschikking. [1] Belanghebbende kan het bestuursorgaan verzoeken om een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit. In dit geval heeft de inspecteur het verzoek op 11 juni 2024 afgewezen.
2.4
Voor het antwoord op de vraag of de belastingrechter bevoegd is de dwangsombeschikking te beoordelen, is het van belang of de gestelde dwangsom verband houdt met het niet tijdig beslissen op een aanvraag om of een bezwaar tegen een beschikking waartegen bezwaar openstaat. De mogelijkheid tot het instellen van beroep tegen een dwangsombeschikking bij de belastingrechter bestaat namelijk alleen als het onderliggende besluit op de belastingwet is gebaseerd en daartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Behoort daarentegen de beslissing in een geschil over de rechtmatigheid van het besluit van de inspecteur tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, dan heeft datzelfde te gelden voor de daarmee samenhangende dwangsombeschikking. [2]
2.5
In het voorliggende geval is niet gebleken dat aan het gestelde verzoek om dwangsom een aanvraag om een voor bezwaar vatbare beschikking ten grondslag ligt. Uit de stukken blijkt evenmin dat door belanghebbende bezwaar is aangetekend tegen een voor bezwaar vatbare beschikking waarop het bestuursorgaan had moeten beslissen en waarop het bestuursorgaan vervolgens niet tijdig heeft beslist. Beide partijen beschikken niet over de brief van 27 maart 2023. De rechtbank leidt echter uit het bezwaarschrift van 4 mei 2023 af dat de brief betrekking zou hebben op de registratie van belanghebbende als ondernemer. Een dergelijke brief is wel op de belastingwet gebaseerd, maar betreft geen voor bezwaar vatbare beschikking. De belastingrechter en ook de algemene bestuursrechter zijn dan niet bevoegd om in een geschil daarover te oordelen, dat is de burgerlijke rechter.
2.6
Nu geen sprake is van een aanvraag om of bezwaar tegen een voor bezwaar vatbare beschikking, is geen sprake van een geschil waarover de belastingrechter bevoegd is te oordelen. De belastingrechter is dan ook niet bevoegd om te oordelen over de dwangsombeschikking.
2.7
De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op18 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 4:17 Awb Pro.
2.Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797.