ECLI:NL:RBZWB:2025:9088

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
24/3937
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 6:162 BWArt. 10a Invorderingswet 1990Art. 2 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling uitdeling en pachtafstandsvergoeding in landbouwvennootschap

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015, waarin de inspecteur een uitdeling aanmerkte wegens het niet bedingen van een pachtafstandsvergoeding door [bedrijf] B.V. jegens [broer 2]. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een uitdeling in 2015 omdat de pacht in dat jaar is opgezegd en de vennootschap daardoor verarmt ten gunste van de aandeelhouder. De inspecteur heeft de aanslag gehandhaafd.

De rechtbank stelt vast dat de vaststellingsovereenkomst waarop de inspecteur zich beroept niet van toepassing is en dat in zakelijke verhoudingen een pachtafstandvergoeding gebruikelijk is. Het afzien daarvan wordt toegeschreven aan familierelaties tussen de aandeelhouders en [broer 2]. Belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd om het standpunt van de inspecteur te weerleggen.

Daarnaast is de redelijke behandeltermijn overschreden, mede door een mediationtraject en samenhang met een soortgelijke procedure van [broer 1]. Daarom kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 2.000, waarvan de inspecteur en de Minister ieder de helft moeten betalen. Ook worden griffierecht en proceskosten deels vergoed. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2015 blijft in stand, met toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3937
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. M.H.W.N. Lammers),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar (onder meer) een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 62.508.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld van [persoon 1] , en de inspecteur.

Feiten

2. Belanghebbende, [broer 1] en [broer 2] zijn broers. Belanghebbende en [broer 1] exploiteren samen een landbouwbedrijf. [broer 2] investeert met regelmaat in landbouwgronden.
3. [persoon 2] was eigenaar van gronden. Die gronden zijn verpacht geweest aan [bedrijf] B.V.
4. Op 1 mei 2012 heeft [broer 2] de gronden gekocht voor € 11.000 per hectare. De levering daarvan heeft plaatsgevonden op 13 december 2013.
5. [bedrijf] B.V. heeft met [broer 2] een pachtovereenkomst gesloten op 1 december 2012 voor de duur van 12 jaar.
6. Medio 2013 hebben belanghebbende en [broer 1] een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de aandelen in [bedrijf] B.V.
7. Op 19 januari 2015 levert [broer 2] aan een derde gronden met de kadastrale aanduiding [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] . Deze gronden zijn voor € 65.000 per hectare verkocht in onverpachte staat. In de leveringsakte staat onder meer:
Bepalingen koopovereenkomstVoor zover daarvan in deze akte niet uitdrukkelijk is afgeweken, zijn op de koop en de levering van toepassing de bepalingen vermeld in het koopcontract, waaronder:
(…)
Artikel 2
(…)
3. Het verkochte wordt aanvaard in de feitelijke staat, waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, geheel ontruimd, vrij van huur of pacht of ander gebruiksrecht.”
8. [bedrijf] B.V. heeft over het jaar 2015 een aangifte vennootschapsbelasting ingediend naar een belastbare winst van € 56.129 en een belastbaar bedrag van nihil.
9. Door de inspecteur is nagevorderd bij [bedrijf] B.V. waarbij het belastbaar bedrag is vastgesteld op € 56.129.
10. De rechtbank heeft op 28 april 2022 een oordeel gegeven over aan belanghebbende, [broer 1] en [bedrijf] B.V. opgelegde belastingaanslagen over het jaar 2013 (de uitspraak van 28 april 2022). [1]
11. Bij het regelen van de aanslag IB/PVV van belanghebbende is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte. De inspecteur heeft een correctie aangebracht in box 2 omdat hij van mening is dat door het afzien van de pachtsafstandvergoeding door [bedrijf] B.V. jegens [broer 2] sprake is van een door belanghebbende genoten uitdeling in het jaar 2015.

Beoordeling door de rechtbank

12. De rechtbank beoordeelt de of de aanslag naar een te hoog bedrag is opgelegd. Specifiek is in geschil of belanghebbende een uitdeling heeft genoten in verband met het niet bedingen van een pachtsafstandvergoeding door [bedrijf] B.V.
12. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Juridisch kader voor een uitdeling
14. Van een uitdeling is sprake als er een vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder, waarbij de uitdelende vennootschap verarmt, de aandeelhouder wordt bevoordeeld en beide partijen zich ervan bewust zijn geweest dat de aandeelhouder in zijn kwaliteit als aandeelhouder is bevoordeeld met de vermogensverschuiving. [2] De vermogensverschuiving dient gedekt te zijn door de in de vennootschap aanwezige winst of winstreserves. De bewijslast rust op de inspecteur.
Had [bedrijf] B.V. een pachtafstandvergoeding moeten bedingen?
15. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende een uitdeling uit [bedrijf] B.V. heeft genoten. De aanleiding daarvoor is dat die vennootschap ten onrechte geen pachtafstandvergoeding heeft bedongen bij de beëindiging van de pacht door [broer 2] ten aanzien van de op 19 januari 2015 geleverde gronden (zie overweging 7). Dat [bedrijf] B.V. dat had moeten doen volgt volgens de inspecteur ten eerste uit een vaststellingsovereenkomst die in het verleden is gesloten en ten tweede op grond van wat in het zakelijk verkeer gebruikelijk is. Belanghebbende betwist dit.
15. De rechtbank is van oordeel dat de door de inspecteur aangehaalde vaststellingsovereenkomst niet van toepassing is. De rechtbank verwijst in dat verband naar overweging 2.17 van de uitspraak van 28 april 2022.
15. De rechtbank is verder van oordeel dat in zakelijke verhoudingen een pachtafstandvergoeding zou zijn bedongen tussen [bedrijf] B.V. en [broer 2] . De rechtbank stelt daarbij voorop dat gelet op de ingenomen standpunten partijen er beiden vanuit gaan dat de in januari 2015 geleverde gronden voorheen verpacht zijn geweest door [broer 2] aan [bedrijf] B.V. Voor de redenen waarom de rechtbank van oordeel is dat in zakelijke verhoudingen een vergoeding zou zijn bedongen, verwijst de rechtbank naar overweging 2.18 van de uitspraak van 28 april 2022. Daarbij acht de rechtbank ook aannemelijk dat het afzien van de pachtafstandsvergoeding is gelegen in de familierelatie tussen belanghebbende en [belanghebbende] als aandeelhouders en bestuurders van [bedrijf] B.V. en [broer 2] . In dat verband verwijst de rechtbank ook naar overweging 2.18 van de uitspraak van 28 april 2022.

Is sprake van een uitdeling in 2015?

18. De vervolgvraag is of dan in het jaar 2015 een uitdeling valt te constateren wegens het niet bedingen van de pachtsafstandvergoeding. De inspecteur stelt dat sprake is van een uitdeling in 2015 gelet op de leveringsakte van de betreffende gronden waarin staat dat die vrij van pacht worden geleverd. Omdat het enige aanknopingspunt ten aanzien van het opzeggen van de pacht uit deze akte volgt, stelt hij zich op het standpunt dat de pacht in 2015 is opgezegd. Daarom is terecht de uitdeling in 2015 te constateren volgens de inspecteur. Belanghebbende betwist dat deze conclusie kan worden getrokken en wijst in dat verband op de tekst van de leveringsakte in combinatie met de datum van de leveringsakte. Volgens belanghebbende is het praktisch niet mogelijk dat tussen 1 januari 2015 en 16 januari 2015 de pacht is opgezegd gelet op de omstandigheid dat 16 januari 2015 de eerste werkdag van de derde werkweek van januari betrof en er op voorhand al gecorrespondeerd moet zijn over de leveringsakte. Belanghebbende trekt daaruit de conclusie dat de koopovereenkomst al in 2014 getekend moet zijn en – gelet op de tekst van de leveringsakte – daaraan voorafgaand de pacht is opgezegd.
18. De rechtbank acht aannemelijk dat de pacht in 2015 is opgezegd. Het enige aanknopingspunt ten aanzien van de gemaakte afspraken ten aanzien van de geleverde grond is de leveringsakte. Die akte is in 2015 gepasseerd, en daaruit volgt niet dat de pacht voor 1 januari 2015 is opgezegd. Belanghebbende heeft in het kader van haar betwisting gewezen op praktische uitdagingen waardoor volgens haar de koop en de daaraan voorafgaande pachtopzegging niet in 2015 plaatsgevonden kunnen hebben, maar levert geen enkel bewijs dat hiervan ook daadwerkelijk sprake is geweest. Daarbij overweegt de rechtbank aanvullend dat het mogelijk praktisch lastig is om tussen 1 januari 2015 en 16 januari 2015 zowel de pacht op te zeggen, een koopovereenkomst te sluiten en de gronden te laten leveren, maar dat dit niet onmogelijk is. Belanghebbende heeft ook geen bewijs geleverd van het moment waarop de pacht aan [bedrijf] B.V. is opgezegd, terwijl hij wel aandeelhouder en bestuurder van die vennootschap is. Tegenover het bewijs van de inspecteur heeft belanghebbende dus te weinig aangevoerd.
18. Gelet op de voorgaande oordelen heeft naar het oordeel van de rechtbank de pachtopzegging dus in 2015 plaatsgevonden. Daardoor is er volgens de rechtbank ook sprake van een uitdeling in 2015. Ter nadere onderbouwing verwijst de rechtbank naar de overwegingen 2.22 tot en met 2.24 van de uitspraak van 22 april 2022, die ook op de feitelijke situatie in deze zaak van toepassing zijn. De rechtbank overweegt aanvullend dat de omstandigheid dat de inspecteur geen correctie heeft gemaakt op de aangifte vennootschapsbelasting ten aanzien van de winstbepaling (zoals belanghebbende aanvoert) op zichzelf niet meebrengt dat de vennootschap zich niet bewust was van die uitdeling.
18. Voor dat geval ziet de rechtbank geen aanleiding om de hoogte van de uitdeling anders vast te stellen dan de inspecteur heeft gedaan. De inspecteur heeft in dat kader het door hem berekende bedrag onderbouwd door te wijzen naar de opvatting van belanghebbende zelf dat de waarde van een pachtrecht is te stellen op 67% van de vrije waarde. Daarbij komt dat sprake is van een transactie door de broer van belanghebbende, waardoor de rechtbank aannemelijk acht dat belanghebbende in zijn hoedanigheid als aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf] B.V. een beter inzicht heeft in de handelwijze van zijn broer dan doorgaans gebruikelijk in het zakelijk verkeer. Belanghebbende heeft het gehanteerde percentage van 67% ook niet voldoende gemotiveerd betwist. De inspecteur heeft zich daarvoor namelijk niet alleen gebaseerd op de VSO. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om – zoals belanghebbende bepleit – aan te sluiten bij een alternatieve berekeningsmethode conform de uitspraak van 28 april 2022.
Vergoeding van immateriële schade
18. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. Die termijn is inderdaad overschreden. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de redelijke behandeltermijn te verlengen in verband met een mediationtraject dat heeft plaatsgevonden. [3] Verder neemt de rechtbank samenhang aan tussen deze procedure van belanghebbende en de procedure van [broer 1] met het nummer 24/3935 die op hetzelfde geschil zien, gelijktijdig zijn behandeld en waar de werkzaamheden van de gemachtigde nagenoeg identiek konden zijn. De vergoeding van € 500 per half jaar wordt dus voor de beide procedures tezamen toekend. Het oudste bezwaarschrift dateert van 3 januari 2020, de meest recente uitspraak op bezwaar dateert van 4 maart 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 19 december 2024. Verder verlengt de rechtbank de redelijke behandeltermijn met negen maanden in verband met het mediationtraject. De rechtbank kent derhalve een vergoeding van immateriële schade toe van € 2.000. Gelet op de datum van de uitspraak op bezwaar en de verlenging van de redelijke bezwaarbehandeltermijn van negen maanden dient de inspecteur € 1.500 te vergoeden en de Staat € 500. De Minister is in zoverre aangemerkt als partij in het geding.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2015 in stand blijft. Wel is er aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende krijgt het griffierecht terug gelet op het bepaalde in de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2024. [4] De inspecteur en de Minister dienen ieder de helft te vergoeden. Gelet op toegekende vergoeding van de immateriële schade heeft belanghebbende recht op een vergoeding van kosten voor het daartoe gedane verzoek. De vergoeding als volgt berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij neemt de rechtbank ook samenhang aan tussen deze procedure en die van [broer 1] met nummer 24/3935 onder verwijzing naar de motivering die daarvoor is gegeven bij de toekenning van de immateriëleschadevergoeding. Het verzoek om schadevergoeding is een proceshandeling waaraan een punt wordt toegekend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. Op een dergelijk verzoek is de wegingsfactor 0,25 van toepassing. [5] De vergoeding bedraagt dan in totaal € 226,75. In deze zaak wordt daar de helft van toegekend. De inspecteur en de Staat dienen daarvan elk de helft te vergoeden, te weten € 56,69. Gelet op de verzoeken van belanghebbende zal de rechtbank ook beslissen dat wettelijke rente verschuldigd is als de verschuldigde bedragen niet tijdig worden betaald.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
- bepaalt dat de Minister een bedrag van € 25,50 aan griffierecht moet vergoeden;
- veroordeelt de Minister inspecteur tot betaling van € 56,69 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.500;
- bepaalt dat de inspecteur een bedrag € 25,50 aan griffierecht moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 56,69 aan proceskosten aan belanghebbende;
- beslist dat voor zover de toegekende immateriëleschadevergoeding en proceskostenvergoeding niet tijdig zijn betaald de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.M.S. van Balkom, griffier.
De griffier is buiten
staat om de uitspraak
mede te ondertekenen
griffier
rechter
Uitgesproken op 19 december 2025.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 april 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2325.
2.Vergelijk Hoge Raad 24 september 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9889, BNB 1980/332 en Hoge Raad 24 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2003:AI0411.
3.Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2912, r.o. 7.1.
5.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.