ECLI:NL:RBZWB:2025:9091

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
24/3936
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling afschrijving pachtrechten in inkomstenbelasting 2018 en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende, samen met zijn broer actief in een landbouwbedrijf, heeft in 2016 pachtrechten voor landbouwgrond ingebracht in hun ondernemingen. Bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 heeft belanghebbende een afschrijving op deze pachtrechten opgevoerd die hoger is dan door de inspecteur vastgesteld.

De rechtbank beoordeelt het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2018 waarbij de kernvraag is of de afschrijving op de pachtrechten hoger moet worden vastgesteld. De rechtbank sluit zich aan bij een eerdere uitspraak over het jaar 2017 waarin het beroep van belanghebbende ongegrond werd verklaard omdat hij de hogere afschrijving niet aannemelijk heeft gemaakt.

Het aanvullende bewijs, waaronder een themabericht van de Universiteit Wageningen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht de waarderingsmethodiek van de inspecteur voldoende onderbouwd en ziet geen reden om de afschrijving te verhogen.

Belanghebbende heeft tevens een verzoek gedaan tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. De rechtbank erkent de overschrijding, maar verlengt de termijn vanwege een mediationtraject. Desondanks kent zij een vergoeding van € 1.500 toe, waarvan de Minister en de inspecteur ieder een deel moeten betalen.

Tot slot wijst de rechtbank het beroep ongegrond, bevestigt de aanslag zoals verminderd bij bezwaar en veroordeelt de Minister en de inspecteur tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten. De wettelijke rente gaat lopen indien betaling niet tijdig plaatsvindt.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2018 wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3936
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. M.H.W.N. Lammers),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.498.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld van [persoon] , en de inspecteur.

Feiten

2. Belanghebbende oefent gezamenlijk met zijn broer (de tweede broer) een landbouwbedrijf uit door middel van de maatschap ‘ [naam 1] ’ en de C.V. ‘ [naam 2] ’ (de ondernemingen).
3. In 2016 heeft belanghebbende met zijn tweede broer percelen landbouwgrond gekocht. De betreffende percelen (of de percelen die in verband met een ruiltransactie daarvoor in de plaats zijn gekomen) zijn vervolgens aan een andere broer (de derde broer) van belanghebbende verkocht. Belanghebbende en de tweede broer hebben daarbij pachtrechten voorbehouden (de pachtrechten). Die pachtrechten zijn ingebracht in de ondernemingen.
4. Belanghebbende heeft bij het bepalen van zijn resultaat uit onderneming met betrekking tot de verschuldigde IB/PVV over 2018 rekening gehouden met een afschrijving op die pachtrechten.
5. De inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2018 afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. De afschrijving op de pachtrechten is daarbij lager vastgesteld.
6. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag verminderd als gevolg van een rekenfout.
7. Op 9 mei 2025 heeft de rechtbank uitspraak gedaan [1] in een procedure van (onder meer) belanghebbende ten aanzien van de hoogte van de afschrijving op de pachtrechten ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2017 (de procedure over 2017).

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2018 van belanghebbende naar een te hoog bedrag is opgelegd. Specifiek is in geschil hoeveel in het belastingjaar 2018 kan worden afgeschreven op de pachtrechten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Dient de afschrijving op pachtrechten hoger te worden vastgesteld?
10. Belanghebbende betoogt in deze procedure dat de pachtrechten een hogere waarde vertegenwoordigen dan de inspecteur daaraan toekent. Belanghebbende en de inspecteur hebben over een eerder jaar over dit punt al geprocedeerd. De rechtbank verwijst in dat verband naar de procedure over het jaar 2017. Daarbij is het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. De rechtbank was in die procedure kort gezegd van oordeel dat de bewijslast voor de hoogte van de afschrijving op belanghebbende rust en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat een te laag bedrag aan afschrijvingen in aanmerking is genomen.
10. De rechtbank sluit zich voor deze procedure over het jaar 2018 aan bij dat oordeel. De rechtbank verwijst in dat verband onder meer naar de overwegingen 5.3 tot en met 5.5 van de uitspraak in de procedure over 2017.
10. Het aanvullende bewijs dat belanghebbende in deze procedure heeft overgelegd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft ter nadere onderbouwing van zijn standpunt gewezen op een themabericht van de Universiteit Wageningen. De rechtbank leidt uit de tekst van het themabericht af dat in de betreffende analyse transacties met reguliere pacht zijn uitgesloten. Het themabericht is een analyse van de spreiding van grondprijzen. De rechtbank ziet niet in hoe de analyse een licht werpt op de door belanghebbende voorgestane waardering van de pachtrechten. De omstandigheid dat er sprake is van verschillen in de betaalde prijzen voor grond, brengt niet mee dat daarmee de hoogte van de afschrijving door belanghebbende aannemelijk is. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende dit themabericht gebruikt als een betwisting van de waarderingsmethodiek van de inspecteur, maar die methodiek acht de rechtbank afdoende onderbouwd (zie daarvoor ook de uitspraak in de procedure over het jaar 2017). Dit themabericht brengt daarin naar het oordeel van de rechtbank geen verandering, aangezien dat niet specifiek over de waardering van pachtrechten gaat.
Vergoeding van immateriële schade
10. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. Die termijn is inderdaad overschreden. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de redelijke behandeltermijn te verlengen in verband met een mediationtraject dat heeft plaatsgevonden. [2] De rechtbank kent derhalve een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500, gebaseerd op de datum van ontvangst van het bezwaar van 9 november 2022 en de datum van deze uitspraak. Gelet op de datum van de uitspraak op bezwaar en de verlenging van de redelijke bezwaarbehandeltermijn van 9 maanden dient de inspecteur € 107 te vergoeden en de Staat € 1.393. De Minister is in zoverre aangemerkt als partij in het geding.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2018 zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Wel is er aanleiding voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug gelet op het bepaalde in de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2024, aangezien op 31 mei 2024 de (verlengde) redelijke behandeltermijn in deze zaak nog niet was verstreken. [3] Gelet op toegekende vergoeding van de immateriële schade heeft belanghebbende recht op een vergoeding van kosten voor het daartoe gedane verzoek. De vergoeding als volgt berekend op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het verzoek om schadevergoeding is een proceshandeling waaraan een punt wordt toegekend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. Op een dergelijk verzoek is de wegingsfactor 0,25 van toepassing. [4] De vergoeding bedraagt dan in totaal € 226,75. De inspecteur en de Staat dienen elk de helft te vergoeden, te weten € 113,38. Gelet op de verzoeken van belanghebbende zal de rechtbank ook beslissen dat wettelijke rente verschuldigd is als de verschuldigde bedragen niet tijdig worden betaald.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.393;
- veroordeelt de Minister tot betaling van € 113,38 aan proceskosten aan belanghebbende.
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 107;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 113,38 aan proceskosten aan belanghebbende;
- beslist dat voor zover de toegekende immateriëleschadevergoeding en proceskostenvergoeding niet tijdig zijn betaald de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.M.S. van Balkom, griffier.
De griffier is buiten
staat deze uitspraak
te ondertekenen
griffier
rechter
Uitgesproken op 19 december 2025.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2912.
2.Zie de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2912, r.o. 7.1.
4.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.