Belanghebbende, samen met zijn broer actief in een landbouwbedrijf, heeft in 2016 pachtrechten voor landbouwgrond ingebracht in hun ondernemingen. Bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 heeft belanghebbende een afschrijving op deze pachtrechten opgevoerd die hoger is dan door de inspecteur vastgesteld.
De rechtbank beoordeelt het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2018 waarbij de kernvraag is of de afschrijving op de pachtrechten hoger moet worden vastgesteld. De rechtbank sluit zich aan bij een eerdere uitspraak over het jaar 2017 waarin het beroep van belanghebbende ongegrond werd verklaard omdat hij de hogere afschrijving niet aannemelijk heeft gemaakt.
Het aanvullende bewijs, waaronder een themabericht van de Universiteit Wageningen, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht de waarderingsmethodiek van de inspecteur voldoende onderbouwd en ziet geen reden om de afschrijving te verhogen.
Belanghebbende heeft tevens een verzoek gedaan tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. De rechtbank erkent de overschrijding, maar verlengt de termijn vanwege een mediationtraject. Desondanks kent zij een vergoeding van € 1.500 toe, waarvan de Minister en de inspecteur ieder een deel moeten betalen.
Tot slot wijst de rechtbank het beroep ongegrond, bevestigt de aanslag zoals verminderd bij bezwaar en veroordeelt de Minister en de inspecteur tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten. De wettelijke rente gaat lopen indien betaling niet tijdig plaatsvindt.