ECLI:NL:RBZWB:2025:9157
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken gronden en machtiging in belastingzaak
Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen [belanghebbende] B.V. en de inspecteur van de Belastingdienst. Het beroep van belanghebbende betreft een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting over het jaar 2018. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat de gemachtigde van belanghebbende de gronden van het beroep niet heeft vermeld en er geen uittreksel uit het handelsregister is ingediend. Dit is in strijd met de vereisten van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor de rechtbank zonder zitting uitspraak kon doen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de gemachtigde geen gronden in het beroepschrift heeft opgenomen en ook niet tijdig een uittreksel uit het handelsregister heeft ingediend. Ondanks herhaalde verzoeken van de rechtbank om deze verzuimen te herstellen, heeft de gemachtigde geen actie ondernomen. Hierdoor kon de rechtbank niet vaststellen of de gemachtigde bevoegd was om namens belanghebbende beroep in te stellen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk is, wat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en er geen proceskostenveroordeling plaatsvindt.
De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing. Indien partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij binnen zes weken een verzetschrift indienen bij de rechtbank.