ECLI:NL:RBZWB:2025:9172

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/5488
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakArt. 25 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over corona-uitstel van betaling

Belanghebbende B.V. heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de directeur van de belastingdienst van 16 mei 2024, waarin het administratief beroep op het verzoek om uitstel van betaling in het kader van de corona-betalingsregeling werd afgewezen.

De rechtbank heeft onderzocht of zij bevoegd is om over dit beroep te oordelen. Uit de wetgeving volgt dat de belastingrechter in principe niet bevoegd is om te oordelen over besluiten op grond van de Invorderingswet 1990, tenzij er een specifieke uitzondering geldt. In dit geval valt de beslissing van de directeur op het administratief beroep niet onder een dergelijke uitzondering.

Daarom heeft de rechtbank zich verklaard onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank wijst er op dat een geschil over het uitstel van betaling kan worden voorgelegd aan de civiele rechter. Het griffierecht is niet teruggestort omdat er geen griffierecht is geheven. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 22 december 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om uitstel van betaling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5488

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de directeur van de belastingdienst, de directeur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden beslissing van de directeur van 16 mei 2024 op het administratief beroep van belanghebbende. Het beroep ziet op een verzoek om uitstel van betaling voor de corona-betalingsregeling.
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Met dagtekening van 16 mei 2024 heeft de directeur het administratief beroep niet-ontvankelijk verklaard. De directeur heeft het administratief beroep wel ambtshalve beoordeeld en het verzoek om uitstel van betaling afgewezen. Belanghebbende heeft op 9 juli 2024 beroep ingediend.
2.2
Het besluit van de ontvanger over de uitstelregeling en de uitspraak van de directeur op het administratief beroep vinden hun grondslag in artikel 25 van Pro de Invorderingswet. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen genomen op grond van de Invorderingswet 1990. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing van de directeur op het administratief beroep over het uitstel van betaling valt niet onder een van de uitzonderingen. Een geschil over het uitstel van betaling kan worden voorgelegd aan de civiele rechter.
2.3
De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd. Het terugstorten van het griffierecht blijft achterwege, omdat de griffier in deze procedure geen griffierecht heeft geheven.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.