In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van de verlengde uitvoer van 21,98 kilogram 2-MMC. De verdachte, geboren in Frankrijk en thans gedetineerd, werd bijgestaan door raadsman mr. B. Çiçek. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 9 december 2025, waar de officier van justitie, mr. M. Kikkert, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De tenlastelegging, die als bijlage aan het vonnis is gehecht, betrof het vervoeren en/of aanwezig hebben van de genoemde hoeveelheid 2-MMC.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte op 11 september 2025 met zijn auto werd staande gehouden in Breda, waar in de kofferbak een kartonnen doos met 21,98 kilogram 2-MMC werd aangetroffen. De verdachte had verklaard dat hij niet wist wat er in de doos zat, maar dat hij vermoedde dat het niet in orde was. De rechtbank concludeerde dat de verdachte opzettelijk de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de doos verdovende middelen bevatte. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte de 2-MMC buiten het grondgebied van Nederland wilde brengen, ook al was het niet vereist dat de drugs daadwerkelijk Nederland hadden verlaten.
De rechtbank legde de verdachte een gevangenisstraf van achttien maanden op, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat hij als first offender kan worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet of onvoldoende had stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen en dat hij enkel uit financieel belang had gehandeld. De beslissing berustte op de artikelen 2a en 10b van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.