ECLI:NL:RBZWB:2025:9179

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
02-240223-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlengde uitvoer van 21,98 kilogram 2-MMC door verdachte

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van de verlengde uitvoer van 21,98 kilogram 2-MMC. De verdachte, geboren in Frankrijk en thans gedetineerd, werd bijgestaan door raadsman mr. B. Çiçek. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 9 december 2025, waar de officier van justitie, mr. M. Kikkert, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De tenlastelegging, die als bijlage aan het vonnis is gehecht, betrof het vervoeren en/of aanwezig hebben van de genoemde hoeveelheid 2-MMC.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte op 11 september 2025 met zijn auto werd staande gehouden in Breda, waar in de kofferbak een kartonnen doos met 21,98 kilogram 2-MMC werd aangetroffen. De verdachte had verklaard dat hij niet wist wat er in de doos zat, maar dat hij vermoedde dat het niet in orde was. De rechtbank concludeerde dat de verdachte opzettelijk de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de doos verdovende middelen bevatte. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte de 2-MMC buiten het grondgebied van Nederland wilde brengen, ook al was het niet vereist dat de drugs daadwerkelijk Nederland hadden verlaten.

De rechtbank legde de verdachte een gevangenisstraf van achttien maanden op, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat hij als first offender kan worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet of onvoldoende had stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen en dat hij enkel uit financieel belang had gehandeld. De beslissing berustte op de artikelen 2a en 10b van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-240223-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 december 2025
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedag] 1998
thans gedetineerd in de P.I. [locatie]
raadsman mr. B. Çiçek, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. M. Kikkert, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer dan wel het vervoeren en/of aanwezig hebben van 21,98 kilo 2MMC.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op basis van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer van ongeveer 22 kilo 2MMC. In dat verband wijst de officier van justitie op het feit dat de verklaring van verdachte dat hij van de ene plaats in Nederland mogelijk naar een andere plaats in Nederland reed niet aannemelijk is. zo kan hij dit niet concreet maken en is het niet aannemelijk dat een drugsorganisatie een transport binnen Nederland laat uitvoeren door een Fransman in een Franse auto. Daarbij komt dat de navigatie van verdachte ingesteld was op Parijs.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de verlengde uitvoer van ongeveer 22 kilo 2-MMC. Daartoe wordt aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij instructies zou krijgen over de bestemming binnen Nederland en hij zijn navigatie slechts op Parijs had ingesteld voor het geval hij in de problemen zou komen. Volgens de verdediging kan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 22 kilo 2-MMC bewezen worden verklaard.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op 11 september 2025 is verdachte met de personenauto die hij bestuurde staandegehouden op de Backer en Ruebweg te Breda. Vervolgens is de auto doorzocht. In de kofferbak werd een kartonnen doos aangetroffen met daarin in totaal 21,98 kilo 2-MMC verpakt in verschillende plasticzakken. De navigatie van verdachte was ingesteld op Parijs. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij niet wist wat er in de auto lag maar dat hij wel een vermoeden had dat wat in de auto lag niet in orde was.
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het ten laste gelegde feit moet er bij verdachte sprake zijn van wetenschap van de 2-MMC en dit laatste moet zich in zijn machtssfeer bevinden. Verdachte was de bestuurder en enig inzittende van de auto. Volgens vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat een persoon wordt geacht wetenschap te hebben van de in zijn voertuig aanwezige goederen en dat deze goederen zich ook in de machtssfeer van die persoon bevinden, tenzij er omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit voortvloeit dat dit in dit specifieke geval anders is. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Verdachte heeft namelijk verklaard dat de doos door iemand anders in zijn auto was geplaatst. Verdachte wist dat het geen betrouwbare situatie betrof, maar voelde zich genoodzaakt de opdracht te voltooien omdat zijn familie anders gedood zou worden. Verdachte heeft verklaard dat hij eerst naar een plaats in de buurt van Amsterdam moest rijden waar de doos in de achterbak is geplaatst, waarna hij instructies kreeg over welke plaatsnamen hij op de borden moest volgen. Ook verklaarde hij dat hij in de gaten werd gehouden. Hij wil geen antwoord geven op de vraag door wie dat aan hem is opgedragen en wie hem in de gaten hield, omdat hij vreest voor het leven van zichzelf en zijn familie. Door onder deze omstandigheden de doos te vervoeren zonder hierover nadere vragen te stellen en zich van de inhoud ervan te vergewissen, heeft verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de doos die hij vervoerde verdovende middelen, in dit geval 2-MMC, zou bevatten.
Tot slot moet worden beoordeeld of verdachte de 2-MMC ook buiten het grondgebied van Nederland wilde brengen. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij instructies kreeg waar hij naartoe moest rijden en dat hij de precieze bestemming niet wist. Hij wist alleen dat het in de buurt van Breda zou zijn. Verdachte maakt deze verklaring niet concreet, waardoor deze niet verifieerbaar is. Dit, terwijl uit het dossier is gebleken dat verdachte de navigatie op zijn telefoon aan had staan met als bestemming Parijs. Dit weerspreekt het scenario van verdachte en maakt daarentegen wel concreet dat hij onderweg was naar Frankrijk. Daarbij komt dat het niet aannemelijk is dat drugsorganisaties een transport binnen Nederland door een Fransman in een Franse auto laten uitvoeren. Dit levert voor de eigenaar van de drugs immers ongebruikelijke risico’s op. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte de 2-MMC buiten het grondgebied van Nederland ging brengen en zich dus schuldig heeft gemaakt aan verlengde uitvoer in de zin van de Opiumwet. Hiervoor is niet vereist dat de drugs daadwerkelijk Nederland hebben verlaten.
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer van 21,98 kilogram 2-MMC.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 11 september 2025 te Breda opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een
stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten 21,98 kilogram 2-MMC buiten het grondgebied van Nederland
heeft gebracht..
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie geëistgelet op de spijtbetuiging van verdachte en het feit dat 2-MMC minder verslavend is en een lagere straatwaarde heeft. Bovendien was 2-MMC tot voor kort legaal. De verdediging verzoekt de gevangenisstraf te matigen tot twaalf maanden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van bijna 22 kilo 2MMC. De hoeveelheid was dusdanig dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Door de uitvoer van zo’n hoeveelheid harddrugs naar het buitenland wordt de internationale handel in verdovende middelen dan ook in stand gehouden. Het motief voor de strafbaarstelling van de handel in verdovende middelen is onder meer gelegen in het maatschappelijk belang van bescherming van de volksgezondheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs, schadelijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid en tot ernstige verslavingsproblematiek kan leiden. Dat geldt ook voor 2-MMC dat een Nieuw Psychoactieve Stof (hierna: NPS) betreft. Het is in feite een harddrug waarvan de moleculaire samenstelling is veranderd, waardoor deze harddrug niet onder lijst I van de Opiumwet valt. Dat neemt niet weg dat 2-MMC is ontworpen om de harddrugs op lijst I na te bootsen en daarmee dezelfde verslavende effecten kent en dezelfde bijkomende randproblematiek. Zo is de handel in harddrugs namelijk ook geregeld de oorzaak van geweldsexplosies, waarmee ook onschuldige en nietsvermoedende burgers worden geconfronteerd. Uitvoerders van die verdovende middelen zijn mede verantwoordelijk voor deze nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Verdachte heeft daar niet of onvoldoende bij stilgestaan en kennelijk enkel gehandeld uit eigen (financieel) belang.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat hij in Nederland niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie waardoor hij als first offender kan worden aangemerkt.
Bij de strafbepaling houdt de rechtbank rekening met de rol die verdachte bij de verlengde uitvoer van de 2-MMC heeft gehad. Het is de rechtbank bekend dat binnen een organisatie die harddrugs naar het buitenland exporteert, de koerier in het algemeen niet de persoon is die de grote winst van een dergelijk transport opstrijkt. De organisatie die een dergelijk transport opzet, maakt vaak misbruik van mensen die zij voor het transport inzetten. De koerier is degene die de grootste risico’s loopt en de grootste kans heeft om achter de tralies te belanden. De rol van verdachte neemt de rechtbank als strafverlagende omstandigheid mee.
Ook houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat hij relatief jong is.
De strafoplegging
Voor het feit dat verdachte heeft gepleegd, bestaan nog geen landelijke (LOVS) oriëntatiepunten. Het Openbaar Ministerie heeft daarentegen al wel richtlijnen voor de hoogte van de te eisen straffen die neerkomen op de helft van de hoeveelheid die wordt geëist voor de harddrugs die op lijst I van de Opiumwet staan. Uitgaande daarvan is de rechtbank met de officier van oordeel dat aan verdachte in ieder geval een gevangenisstraf van substantiële duur moet worden opgelegd. Zij ziet daarentegen wel aanleiding om een lagere straf dan is geëist op te leggen, omdat de persoonlijke omstandigheden zoals hiervoor beschreven naar haar oordeel zwaarder moeten meewegen in de strafmaat. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden passend en geboden is, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.Het beslag

Onder verdachte zijn twee Iphones in beslag genomen. De rechtbank zal de teruggave gelasten aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en verdachte als rechthebbende moet worden aangemerkt.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 2a en 10b van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2a onder A van de Opiumwet
gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van achttien maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
Apple Iphone met goednummer PL2000-2025244207-2906111;
Apple Iphone SE met goednummer 2020 PL2000-2025244207-2906113.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter,
en mr. M.A.E. Dekker en mr. K. Verschueren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 19 december 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
hij op of omstreeks 11 september 2025 te Breda en/of Zevenbergschenhoek, in elk
geval in Nederland, al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een
stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat
daarvan, te weten 21,98 kilogram 2-MMC buiten het grondgebied van Nederland
heeft gebracht, althans heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad;
(art 2a lid 1 ahf/ond b Opiumwet)
( art 10b lid 2 Opiumwet, art 2a lid 1 ahf/ond A Opiumwet )