ECLI:NL:RBZWB:2025:9184

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
02-038342-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opzettelijk vervoer van heroïne met rechtmatige doorzoeking

In deze strafzaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die op 1 februari 2024 te Ulvenhout ongeveer 4992 gram heroïne opzettelijk heeft vervoerd. De verdachte werd staande gehouden op basis van een melding van de Automatic Numberplate Recognition (ANPR) en gaf toestemming voor de doorzoeking van haar voertuig, waarin de heroïne werd aangetroffen. De rechtbank oordeelde dat de doorzoeking rechtmatig was, omdat de verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig toestemming had gegeven. De verdediging voerde aan dat de staandehouding en doorzoeking onrechtmatig waren, maar de rechtbank verwierp dit verweer. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op de hoogte was van de heroïne in haar auto, en dat deze zich in haar machtssfeer bevond. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en behandeling.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-038342-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 19 december 2025
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985
ingeschreven op het [adres]
raadsman mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. R.M. in ’t Veld, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opzettelijk ongeveer vijf kilo heroïne heeft vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht, op basis van het dossier, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ongeveer vijf kilo heroïne heeft vervoerd. Verbalisanten hebben de auto van verdachte rechtmatig doorzocht, nu verdachte daarvoor toestemming gaf. Verdachte was eigenaar en bestuurder van de auto, waardoor verondersteld wordt dat zij wetenschap heeft van de aanwezige heroïne, tenzij er sprake is van contra-indicaties. Verdachte heeft die contra-indicaties niet concreet of aannemelijk gemaakt.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair vrijspraak van het tenlastegelegde. De staandehouding van verdachte op grond van de ANPR-hit en de doorzoeking van de auto van verdachte hebben onrechtmatig plaatsgevonden, nu de ANPR-registratie en daarmee de beslissing tot staandehouding slechts op een Artificiële Intelligentie (hierna: AI) gebaseerde beslissing is genomen en er bij verdachte geen
informed consentbestond ten aanzien van de doorzoeking. Door deze onherstelbare vormverzuimen is sprake van een schending in aanzienlijke mate van de rechten van verdachte volgend uit de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) waardoor op grond van artikel 359a, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bewijsuitsluiting van de aangetroffen verdovende middelen moet volgen. Subsidiair bepleit de verdediging dat het niet aannemelijk is dat verdachte wist of moest weten van de heroïne in haar auto en het opzet op het delict dus ontbreekt. De politie heeft de verdovende middelen op een ongebruikelijke en verborgen plek aangetroffen. Bij normaal gebruik van de auto zou de gebruiker de heroïne niet hebben aangetroffen. Ander bewijs dat duidt op wetenschap van verdachte zoals DNA of telefoonberichten, is er niet.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststaande feiten
Op 1 februari 2024 is verdachte met de personenauto waarin zij reed staandegehouden op de Chaamsebaan te Ulvenhout, naar aanleiding van een melding van de Automatic Numberplate Recognition (hierna: ANPR). Vervolgens heeft de politie haar auto doorzocht. Bij deze doorzoeking is ongeveer vijf kilo heroïne aangetroffen in de achterdeur aan de bestuurderszijde.
(On)rechtmatig verkregen bewijs
Gelet op het door de verdediging gevoerde verweer dient de rechtbank eerst de rechtmatigheid van het verkregen bewijs te beoordelen. Zij stelt daarbij voorop dat de toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot onherstelbare vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen verdachte ter zake de aan haar ten laste gelegde feiten. Indien sprake is van zo’n vormverzuim, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg in aanmerking komt, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijk-verklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
Omtrent de ANPR-registratie van het voertuig van verdachte stelt de rechtbank op grond van het dossier allereerst vast dat het voertuig met toestemming van een officier van justitie in het referentiebestand is opgenomen en dat het dus de officier van justitie is geweest die deze beslissing heeft genomen en niet AI.. Uit het dossier volgt dat dit voertuig in het referentiebestand is geplaatst voor de duur van 6 maanden met als doel dit voertuig te controleren. Weliswaar is niet gespecificeerd opgenomen waar de controle op ziet, maar dit doet niet af aan de bevoegdheid van de officier van justitie om een dergelijke beslissing te nemen. Dat deze plaatsing enkel en alleen zou zijn gebaseerd op AI blijkt voorts op geen enkele wijze uit het dossier. Bovendien is het aan verbalisanten ter plaatse of zij al dan niet overgaan tot controle van het voertuig op grond van artikel 160 WVW, zoals is beslist, hetgeen dus ook geen beslissing op basis van AI is. De rechtbank ziet niet in op grond waarvan de staandehouding onrechtmatig zou zijn geweest. Er is op dit punt daarom geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De rechtbank verwerpt om deze reden dit verweer.
Ten aanzien van de doorzoeking van de auto van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig toestemming hiervoor heeft gegeven. De verbalisanten hebben in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal verklaard dat aan verdachte is gevraagd of zij haar voertuig mochten doorzoeken en dat verdachte hiervoor toestemming gaf. Zij zijn hier later bij de rechter-commissaris als getuigen over gehoord, waar zij onder meer hun werkwijze hebben toegelicht. [verbalisant 1] heeft daarbij expliciet verklaard dat het bij een controle van een voertuig gebruikelijk is dat er eerst een controle van het voertuig plaatsvindt en dat daarna wordt gevraagd om de auto te mogen doorzoeken en niet om in de auto te kijken. Dit omdat er tussen ‘doorzoeken’ en ‘kijken’ een duidelijk verschil zit. Ook heeft hij verklaard dat er geen doorzoeking plaatsvindt indien er geen toestemming door de betrokkene wordt gegeven. [verbalisant 2] heeft bij de rechter-commissaris onder meer verklaard dat hij zich kan herinneren dat er toestemming is gevraagd om haar auto te doorzoeken. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisanten. Hierbij komt dat verdachte op de vraag van [verbalisant 1] of ze haar auto mochten doorzoeken, concreet en specifiek heeft geantwoord, namelijk dat dit geen probleem was, maar dat er wel veel rotzooi van de kinderen in de auto lag. Hieruit blijkt voldoende dat verdachte willens en wetens met de doorzoeking heeft ingestemd. Uit jurisprudentie kan bovendien niet worden afgeleid dat van
informed consentslechts sprake is als de opsporingsambtenaar expliciet op de mogelijke gevolgen van het verlenen van toestemming heeft gewezen. Dit hangt immers af van de mate van inmenging in de persoonlijke levenssfeer van verdachte waarbij geldt dat naarmate de inmenging groter is, hiervoor strengere eisen gelden. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van de ingezette bevoegdheid, te weten doorzoeking van de auto, sprake is van een beperkte inmenging in de persoonlijke levenssfeer waardoor aan het niet expliciet wijzen op de mogelijke gevolgen van het verlenen van toestemming geen gevolgen worden verbonden. Er is derhalve geen sprake van onrechtmatigheid en om die reden evenmin van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Om deze reden verwerpt de rechtbank ook het verweer op dit punt.
Wetenschap en opzet
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of bij verdachte sprake was van wetenschap van de heroïne en of deze heroïne zich in de machtssfeer van verdachte bevond. Verdachte reed als bestuurder en als enig inzittende in de auto waarmee zij is staande gehouden. Ook stond de auto op haar naam. Volgens vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat een persoon wordt geacht wetenschap te hebben van de in zijn voertuig aanwezige goederen en dat deze goederen zich ook in de machtssfeer van die persoon bevinden, tenzij er omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit voortvloeit dat dit in dit specifieke geval anders is. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat zij niet bekend was met de in de auto aanwezige heroïne en dat dit te maken moet hebben met ene [naam] , aan wie zij de auto de dagen ervoor had uitgeleend, volstrekt ongeloofwaardig. Haar verklaring is door het gebrek aan gegevens van [naam] niet concreet en niet verifieerbaar. Verdachte heeft op geen enkele wijze getracht haar verhaal geloofwaardig te maken door gegevens van [naam] te verstrekken danwel een verklaring van het bezoek aan haar zwangere vriendin te overleggen. Op zitting blijkt zelfs dat zij geen enkele poging heeft ondernomen [naam] te traceren. Daarnaast heeft verdachte haar verklaring op zitting nog gewijzigd door te stellen dat ze haar auto voor meerdere dagen aan [naam] had uitgeleend en dat er de avond dat zij door de rechter-commissaris geschorst werd uit de voorlopige hechtenis een man op haar deur heeft geklopt die vroeg naar haar auto. Ondanks dat verdachte er door de rechter-commissaris op is gewezen om relevante informatie aan de politie door te geven, heeft zij het voorval met de onbekende man niet bij de politie gemeld en evenmin aanvullende informatie over de mogelijke verblijfplaats van [naam] verstrekt. Ook op dit punt is haar verklaring niet verifieerbaar. Bovendien is het niet aannemelijk dat personen een hoeveelheid drugs van deze waarde gedurende een of meerdere nachten in een onbewaakte auto achterlaten. Dit zou voor de eigenaar van de drugs een groot risico op het verliezen ervan opleveren. Tot slot is het niet aannemelijk dat verdachte, die in de bijstand zit, haar kostbare bezit aan iemand uitleent van wie ze geen achternaam, telefoonnummer of woonadres heeft. Gelet op al deze feiten en omstandigheden kan het niet anders dan dat verdachte wist van de aanwezigheid van de heroïne in de auto en dat deze lading zich daarmee ook in haar machtssfeer bevond.
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van ongeveer 4992 gram heroïne.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 1 februari 2024 te Ulvenhout, opzettelijk heeft vervoerd
ongeveer 4992 gram van een materiaal
bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I..
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Wanneer de bepleite vrijspraak niet wordt gevolgd, verzoekt de verdediging een taakstraf dan wel een volledig voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zodat verdachte haar behandeling kan voortzetten, haar woning behoudt en voor haar kinderen kan (blijven) zorgen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou bestaande risicofactoren versterken en beschermende factoren verzwakken.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van ongeveer vijf kilo heroïne. Dit is een dusdanige hoeveelheid dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Van de drugshandel is bekend dat deze gepaard gaat met ernstige gevolgen voor de samenleving. Zo is het algemeen bekend dat harddrugs sterk verslavend zijn en ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast gaat de productie van en handel in verdovende middelen veelal gepaard met andersoortige criminaliteit. Verdachte heeft daar niet of onvoldoende bij stilgestaan en kennelijk enkel gehandeld uit eigen (financieel) belang.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank houdt in het nadeel van verdachte rekening met haar strafblad, waaruit blijkt dat zij eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 1 december 2025 dat over verdachte is opgesteld. Daaruit blijkt dat door de proceshouding van verdachte niet vastgesteld kan worden welke factoren bijdroegen aan het plegen van het delict. Het is voor de reclassering onduidelijk in hoeverre verdachte naïef is geweest of dat zij doelbewust het delict pleegde met het oog op financieel gewin. Om deze reden kan de reclassering het risico op recidive evenmin inschatten. Verdachte heeft in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis inmiddels succesvol de CoVa-training doorlopen en is aangemeld voor ambulante behandeling die zij momenteel vrijwillig volgt. Deze behandeling richt zich op psychische problemen die verdachte ervaart en een mogelijke kwetsbaarheid van waaruit zij bepaalde keuzes maakt. Om deze reden acht de reclassering voortzetting van deze behandeling wenselijk. Zij adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden meldplicht en ambulante behandeling.
Tot slot heeft de rechtbank de persoonlijke omstandigheden en de proceshouding van verdachte in haar oordeel meegenomen. Verdachte heeft namelijk ondanks haar verantwoordelijkheid als alleenstaande moeder het risico genomen om drugs te vervoeren. Zij is hiervoor al eens eerder veroordeeld en wist wat de gevolgen hiervan zouden zijn als zij zou worden gepakt. Ook blijft zij tegen beter weten in een ongeloofwaardige verklaring afleggen, waardoor zij geen verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen. De rechtbank rekent haar dit aan en voor de rechtbank is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur dan ook de enige passende reactie.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij de strafmaat rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het vervoer van harddrugs met een gewicht tot 5.000 gram geldt daarbij als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van 20 maanden. Daarnaast heeft de rechtbank bij de strafmaat acht geslagen op de straffen die worden opgelegd in vergelijkbare zaken. Ondanks dat de rechtbank zwaar tilt aan de keuze die verdachte heeft gemaakt om opzettelijk drugs te vervoeren in de wetenschap van haar kwetsbare thuissituatie en haar eerdere veroordeling, is de rechtbank van oordeel dat dit minder zwaar moet doorwegen in de strafoplegging dan dat de officier van justitie in zijn eis heeft laten doen. De rechtbank gaat er namelijk ook van uit dat verdachte als koerier een beperktere rol vervulde ten opzichte van andere personen in de organisatie.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van het voorarrest moet worden opgelegd. Zij zal daarvan vijf maanden voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaar en daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Dit teneinde verdachte er in de toekomst van te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen twee dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het telefoonnummer 088-8041501. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dit nodig vindt en houdt zich aan de aanwijzingen die haar worden gegeven;
* dat verdachte zich laat behandelen door Mondriaan of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Dekker, voorzitter,
en mr. S.W.M. Speekenbrink en mr. K. Verschueren, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 19 december 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat
zij op of omstreeks 1 februari 2024 te Ulvenhout, gemeente Breda, althans in
Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 4992 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet;
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )