Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
informed consentbestond ten aanzien van de doorzoeking. Door deze onherstelbare vormverzuimen is sprake van een schending in aanzienlijke mate van de rechten van verdachte volgend uit de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) waardoor op grond van artikel 359a, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bewijsuitsluiting van de aangetroffen verdovende middelen moet volgen. Subsidiair bepleit de verdediging dat het niet aannemelijk is dat verdachte wist of moest weten van de heroïne in haar auto en het opzet op het delict dus ontbreekt. De politie heeft de verdovende middelen op een ongebruikelijke en verborgen plek aangetroffen. Bij normaal gebruik van de auto zou de gebruiker de heroïne niet hebben aangetroffen. Ander bewijs dat duidt op wetenschap van verdachte zoals DNA of telefoonberichten, is er niet.
informed consentslechts sprake is als de opsporingsambtenaar expliciet op de mogelijke gevolgen van het verlenen van toestemming heeft gewezen. Dit hangt immers af van de mate van inmenging in de persoonlijke levenssfeer van verdachte waarbij geldt dat naarmate de inmenging groter is, hiervoor strengere eisen gelden. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van de ingezette bevoegdheid, te weten doorzoeking van de auto, sprake is van een beperkte inmenging in de persoonlijke levenssfeer waardoor aan het niet expliciet wijzen op de mogelijke gevolgen van het verlenen van toestemming geen gevolgen worden verbonden. Er is derhalve geen sprake van onrechtmatigheid en om die reden evenmin van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Om deze reden verwerpt de rechtbank ook het verweer op dit punt.
ongeveer 4992 gram van een materiaal
bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I..
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De wettelijke voorschriften
8.Beslissing
een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
bijzondere voorwaarden: