ECLI:NL:RBZWB:2025:9234

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
23/9819
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 4.159, welke door de rechtbank als terecht werd beoordeeld. De rechtbank behandelt de vraag of de herleidingsmethode kan worden toegepast en of de juiste koerslijst is gebruikt. Belanghebbende had een BMW 318D M Sport Edition geregistreerd en stelde dat de inspecteur onvoldoende rekening had gehouden met schade aan de auto. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de naheffingsaanslag correct heeft vastgesteld en dat de schade niet meer bedraagt dan de inspecteur heeft aangenomen. Daarnaast heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500 vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank wijst het beroep ongegrond, maar kent wel een schadevergoeding toe aan belanghebbende, die door de inspecteur en de Staat moet worden vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9819

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 september 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.159.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen, namens de gemachtigde van belanghebbende, mr. M.U. Sahin, en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de zogenoemde herleidingsmethode kan worden toegepast, of de juiste koerslijst is toegepast en of sprake is van een waardevermindering wegens schade.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 24 mei 2022 aangifte gedaan voor de registratie van een BMW 318D M Sport Edition, VIN eindigend op [nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.083.
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport van 8 mei 2022 gevoegd. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vermeld van € 26.192, gebaseerd op een koerslijst van X-Ray van een BMW 318D in de standaarduitvoering. De taxateur heeft een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat berekend van € 6.000.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 31 mei 2022. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vermeld van € 32.832, gebaseerd op een koerslijst van Autotelexpro van een BMW 318D M Sport Edition. De hertaxateur heeft een schade van € 6.609 geconstateerd en hiervan € 4.758 (72%) als waardevermindering in aanmerking genomen. De hertaxateur heeft een handelsinkoopwaarde in beschadigde vermeld van € 28.074.
4.3.
De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ bij het opleggen van de naheffingsaanslag het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 5.242.

Overwegingen

Herleidingsmethode
4.4.
Bij zijn arrest van 11 juli 2025 [1] heeft de Hoge Raad beslist dat de herleidingsmethode niet aansluit bij de wettelijk toegestane methoden tot het berekenen van de afschrijving van artikel 10 van de Wet Bpm. De Hoge Raad sloot zich daarbij aan bij de conclusie van de Advocaat Generaal van 12 december 2023 [2] die alle gronden voor toepassing van de herleidingsmethode afwees. Deze beroepsgrond van belanghebbende faalt.
Is de juiste koerslijst toegepast?
4.5.
De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de auto een sportvoering betreft. Omdat deze uitvoering niet voorkomt in de koerslijst van XRay en wel in Autotelexpro is laatstgenoemde koerslijst toegepast, aldus de inspecteur.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat in de koerslijst van XRay ook een sportuitvoering zou moeten voorkomen en dat het aan de inspecteur is om ook die koerslijst te overleggen.
4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat belanghebbende er ten onrechte van uit dat op de inspecteur de bewijslast rust. Belanghebbende had zelf een koerslijst van XRay kunnen inbrengen. De inspecteur is niet verplicht om alle denkbare koerslijsten in te brengen. De rechtbank gaat daarom uit van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van DRZ.
Waardevermindering wegens schade
4.7.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat onvoldoende rekening is gehouden met de schade.
4.8.
Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende moet de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk maken. De rechtbank merkt op dat zij géén expert is in de waardering van auto’s. De rechtbank is daarom in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade.
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade moet worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van de auto en die passen bij de leeftijd en kilometrage van de auto. [3] Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.10.
Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat sprake is van achterstallig onderhoud, dat twee banden versleten waren, en dat de schade aan de achterbumper en een voorportier door de hertaxateur is onderschat; beide onderdelen moeten worden vervangen.
De inspecteur verwijst naar rubriek 6 van het rapport van DRZ waarin de bevindingen naar aanleiding van de fysieke controle zijn weergegeven.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer schade in aanmerking moet worden genomen dan de inspecteur heeft gedaan. De rechtbank weegt daarbij mee dat de auto uit 2020 is en 66.848 kilometer heeft gereden. Gelet op deze kilometerstand acht de rechtbank de toestand van de banden niet meer dan normale gebruiksschade. De stelling van belanghebbende dat herstel van de bumper en voorportier nooit leidt tot terugbrengen naar de normale toestand, is niet aannemelijk gemaakt.
4.12.
Verder heeft belanghebbende de stelling dat sprake zou zijn van een binnen de branche ontwikkeld beleid voor wat betreft het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade in het kader van de Bpm niet aannemelijk gemaakt, noch dat dergelijk beleid zou nopen tot het toepassen van een waardevermindering.
Hoogte van de naheffingsaanslag
4.13.
Voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van DRZ volgt. De naheffingsaanslag is dan niet te hoog vastgesteld.
Immateriëleschadevergoeding
4.14.
Belanghebbende heeft op 27 september 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.15.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 14 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 23 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond een jaar en vier maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500. Omdat de bezwaarfase afgerond een jaar heeft geduurd komt € 562,50 voor rekening van de inspecteur en € 937,50 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 907 en wegingsfactor 0,25 [4] , wat neerkomt op € 226,75. De inspecteur en de Staat moeten deze kosten (ieder voor 50%) vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om een immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn was op de datum van dit arrest nog niet overschreden. [5]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 562,50;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 937,50;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 113,37 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 113,38 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan op 23 december 2025 door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [6]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

3.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bpm.
4.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
5.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
6.Artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, van de AWR.