ECLI:NL:RBZWB:2025:9240
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 23 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst behandeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 3.142, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld op 30 september 2025, waarbij de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur aanwezig waren.
De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of de herleidingsmethode kan worden toegepast. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar tot een te hoog bedrag. De rechtbank stelt vast dat de historische nieuwprijs van de auto € 108.779 bedraagt, en dat de verschuldigde BPM € 6.047 is. Aangezien belanghebbende al € 3.273 heeft voldaan, moet de naheffingsaanslag worden verminderd tot € 2.774.
Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn met ongeveer twee jaar en zes maanden is overschreden, en kent een schadevergoeding van € 2.500 toe, waarvan € 1.833,33 voor rekening van de inspecteur en € 666,67 voor rekening van de Staat komt. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, en legt de proceskostenvergoeding vast op € 3.108.