ECLI:NL:RBZWB:2025:9307

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
24/7124
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterecht niet opleggen van maatregel door UWV bij benadelingshandeling

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 29 december 2025, in de zaak tussen [eiseres] B.V. en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), wordt de vraag behandeld of het UWV een maatregel had moeten opleggen wegens een benadelingshandeling. Eiseres is het niet eens met de toekenning van een Ziektewet-uitkering aan een ex-werkneemster zonder dat daarop een maatregel is toegepast. De rechtbank oordeelt dat het UWV ten onrechte geen maatregel heeft opgelegd en verklaart het beroep gegrond. De ex-werkneemster had zich verwijtbaar gedragen door privé gebruik te maken van een leaseauto en geen sluitende rittenadministratie bij te houden. Dit gedrag heeft geleid tot een vertrouwensbreuk en uiteindelijk tot het ontbindingsverzoek van de arbeidsovereenkomst door eiseres. De rechtbank concludeert dat het UWV een maatregel had moeten opleggen, inhoudende dat de uitkering blijvend en geheel geweigerd wordt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het UWV het griffierecht en de proceskosten aan eiseres vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7124

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. B. de Bruijn),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het UWV een maatregel had moeten opleggen wegens het plegen van een benadelingshandeling. Eiseres is het niet eens met de toekenning van een uitkering aan mevrouw [naam 1] (ex-werkneemster) op grond van de Ziektewet (ZW) zonder dat daarop een maatregel is toegepast. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV op goede gronden heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een benadelings-handeling en er dus ook geen maatregel opgelegd hoeft te worden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV ten onrechte geen maatregel heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
Onder 2 staat de totstandkoming van het bestreden besluit en onder 3 staat het procesverloop van deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4, waarbij onder de punten 4 en 5 de standpunten van partijen wordt weergegeven. Vanaf punt 6 komen de overwegingen van de rechtbank, waarbij wordt ingegaan op de strekking en omvang van het primaire besluit (punt 6) en de vraag of er sprake is van een benadelings-handeling (punt 7). Aan het eind, vanaf punt 8, staat de conclusie en de gevolgen daarvan.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Ex-werkneemster is bij eiseres werkzaam geweest in de functie van werkvoorbereider B. Op 17 mei 2023 heeft zij zich ziek gemeld. Per 9 maart 2024 is de arbeidsovereenkomst ontbonden.
2.1 Met het besluit van 14 maart 2024 (primaire besluit) heeft het UWV aan ex-werkneemster een ZW-uitkering toegekend met ingang van 11 maart 2024. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit van 2 september 2024 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard.

Procesverloop

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.1.
Ex-werkneemster heeft geen toestemming verleend voor het verstrekken van medische gegevens aan eiseres. Met de beslissing van 4 augustus 2025 heeft de rechtbank bepaald dat geen beperkingen gelden bij de kennisneming door eiseres van de stukken.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres hebben deelgenomen haar gemachtigde en [naam 2]. Namens het UWV was [naam 3] aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt eiseres
4. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het handelen van ex-werkneemster tijdens haar arbeidsongeschiktheid aan het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag heeft gelegen. Ex-werkneemster heeft tijdens het gesprek op 22 mei 2023 verklaard slechts een beperkt aantal kilometers privé te hebben gereden en dat zij nog diezelfde dag een rittenadministratie zal overleggen. Eiseres heeft schriftelijk aan ex-werkneemster gevraagd om de rittenadministratie te overhandigen en een toelichting te geven over andere het aantal kilometers en tankbeurten tijdens de dagen dat zij verlof had of ziek was. Ondanks de toezegging van ex-werkneemster heeft zij daarna steeds excuses aangevoerd waarom zij die administratie nog niet kan overleggen. Gedurende de periode 5 juni 2023 tot 21 juli 2023 is de bedrijfsarts van oordeel dat ex-werkneemster niet belastbaar was om werkinhoudelijke gesprekken te voeren. Ook na deze periode heeft ex-werkneemster nog geen openheid van zaken gegeven. Pas op 30 september 2023 erkent ex-werkneemster dat zij geen (volledige en nauwkeurige) rittenadministratie heeft bijgehouden. Maar ook dan geeft ze geen verklaring voor de door eiseres geconstateerde extra kilometers en tankbeurten, ondanks dat daar verschillende keren om is gevraagd. Volgens eiseres is er dus een verband tussen het ontslag en het verwijtbaar handelen van ex-werkneemster tijdens haar arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens verwijtbaar handelen van ex-werkneemster. Eiseres is van mening dat ten onrechte een ZW-uitkering is toegekend dan wel ten onrechte geen maatregel is opgelegd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres stukken overgelegd die ook in de ontbindingsprocedure zijn overgelegd.
Standpunt UWV
5. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat ex-werkneemster geen loonaanspraken heeft prijsgegeven na het intreden van de arbeidsongeschiktheid. De primaire grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is gelegen in het verwijtbaar handelen van ex-werkneemster voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, namelijk het onrechtmatig privégebruik van de leaseauto en het niet bijhouden van een sluitende rittenadministratie. Het UWV is van mening dat daarom geen sprake is van een benadelingshandeling, zodat de uitbetaling van de ZW-uitkering niet geweigerd mag worden.
Overwegingen rechtbank
Strekking en omvang van het primaire besluit
6. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld wat de strekking en omvang van het primaire besluit is. In het primaire besluit is immers geen (kenbaar) standpunt ingenomen omtrent het wel of niet opleggen van een maatregel. De vraag is dan of het al dan niet opleggen van een maatregel in bezwaar ter heroverweging voorlag. [1]
6.1
Ter zitting is namens het UWV gesteld dat hij bij de vaststelling van een ZW-uitkering altijd toetst of sprake is geweest van een benadelingshandeling als gevolg waarvan een maatregel opgelegd moet worden, hoewel in de ZW geen bepaling is opgenomen die het UWV hiertoe verplicht. Nu er in dit geval een toekenning en uitbetaling van de ZW-uitkering volgt, impliceert dit dat het UWV heeft getoetst en beoordeeld dat geen sprake is geweest van een benadelingshandeling. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij kan volgen dat de toekenning van de ZW-uitkering van ex-werkneemster impliceert dat UWV van mening is dat er geen sprake is van een benadelingshandeling.
6.2
Gelet op de toelichting van het UWV ter zitting over zijn werkwijze, zal de rechtbank het primaire besluit zo lezen dat er ook (impliciet) besloten is om geen maatregel op te leggen. In bezwaar kon er dus een heroverweging plaatsvinden of al dan niet terecht geen maatregel is opgelegd en tegen die beslissing richt zich het onderhavige beroep.
Is er sprake van een benadelingshandeling?
7. Volgens vaste rechtspraak is sprake van een benadelingshandeling in die situaties waarin een werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al is ingetreden. [2] Onder het prijsgeven van het recht op loon valt ook het verrichten van handelingen waarmee het risico wordt genomen dat de werkgever tot ontslag zal overgaan. [3]
7.1
Niet in geschil is dat ex-werkneemster zich verwijtbaar heeft gedragen door, anders dan door haar is verklaard, privé gebruik te maken van de leaseauto en daarvan geen rittenadministratie bij te houden. Ook is niet in geschil dat deze gedragingen zich hebben voorgedaan voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de gedragingen die zich daarna, tijdens de arbeidsongeschiktheid, hebben voorgedaan en die in relatie staan tot deze (verwijtbare) gedragingen als benadelingshandeling kunnen worden aangemerkt.
7.2
Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat het feit dat ex-werkneemster privé gebruik heeft gemaakt van de leaseauto op zichzelf geen reden is geweest voor ontslag. Volgens eiseres is met name het gedrag van ex-werkneemster na het intreden van de arbeidsongeschiktheid reden geweest voor het indienen van het ontbindingsverzoek. Deze gedragingen bestonden uit het stelselmatig in strijd met de waarheid verklaren dat zij een sluitende rittenadministratie heeft bijgehouden, de toezegging dat zij deze zal overleggen en het gedurende een ruime periode geen openheid van zaken geven. Het UWV heeft ter zitting toegelicht dat deze handelingen kunnen bijdragen aan het verstoren van de relatie tussen eiseres en ex-werkneemster, maar op zichzelf gezien niet leiden tot het aannemen van een benadelingshandeling.
7.3
De rechtbank overweegt dat uit de stukken blijkt dat eiseres ex-werkneemster al eerder heeft aangesproken op haar houding en manier van communiceren en haar heeft gewezen op het belang van openheid en transparantie. Allereerst heeft eiseres op 30 januari 2023, vastgelegd in de brief van 31 januari 2023, met ex-werkneemster besproken dat haar houding en manier van communiceren een goede samenwerking, vanuit verbinding en vertrouwen, in de weg staat. Eiseres heeft daarbij het belang van een aantal verbeterpunten benadrukt, waaronder het tijdig en volledig aanleveren van informatie en openheid en transparantie in de wijze van communiceren en informeren. Eiseres heeft in de brief expliciet vermeld dat de genoemde verbeteringen in gedrag en communicatie noodzakelijk zijn om samen te werken.
Vervolgens heeft eiseres ex-werkneemster op 22 mei 2023 geconfronteerd met het vermoeden dat zij de leaseauto ook privé gebruikte en dat dit kan leiden tot een naheffing en een boete vanwege de belastingdienst.
7.4
De rechtbank is van oordeel dat eiseres gevolgd kan worden in haar stelling dat met name de gedragingen die hebben plaatsgevonden na het intreden van de arbeidsongeschiktheid tot een vertrouwensbreuk hebben geleid en uiteindelijk tot het indienen van het ontbindingsverzoek. Als rekening wordt gehouden met de periode waarover ex-werkneemster volgens de bedrijfsarts niet in staat was werkinhoudelijke gesprekken te voeren, heeft ex-werkneemster gedurende 12 weken, ondanks uitvraag daartoe, geen openheid van zaken gegeven en zelfs in strijd met de waarheid verklaard dat zij een sluitende rittenadministratie heeft. Begrijpelijk en voorzienbaar is dat dit gedrag voor eiseres reden is om geen vertrouwen meer te hebben in ex-werkneemster en dat dit heeft geleid tot een dusdanige verstoorde arbeidsrelatie dat eiseres tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft willen overgaan. Gelet op hetgeen in 7.3 is overwogen, kon en moest ex-werkneemster zich realiseren dat eiseres een groot belang hecht aan een open en transparante manier van communiceren. De stelling van het UWV dat met name de gedragingen voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid hebben geleid tot het ontbindingsverzoek volgt de rechtbank niet. Uit de dossierstukken blijkt immers niet dat eiseres na constatering van het privé gebruik van de leaseauto al gedreigd heeft met arbeidsrechtelijke stappen. De enige consequentie die eiseres daaraan verbonden heeft, is het in rekening brengen van een eigen bijdrage voor het privégebruik van de auto. Pas nadat gebleken is dat ex-werkneemster heeft verklaard geen sluitende rittenadministratie te kunnen overleggen en daarmee dus heeft erkend dat zij al die tijd heeft gelogen, heeft eiseres stappen gezet om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen.
7.5
De rechtbank is van oordeel dat van ex-werkneemster verwacht had mogen worden dat zij meteen openheid van zaken zou hebben geven. Door dit niet te doen en daarmee eiseres onnodig lang aan het lijntje te houden, heeft zij zich zodanig gedragen dat dit heeft geleid tot een vertrouwensbreuk en een verstoorde arbeidsverhouding. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat ex-werkneemster een gewaarschuwd mens was. Het was dan ook te voorzien dat haar houding en gedrag tot het einde van de arbeidsovereenkomst zou kunnen leiden. De houding en gedrag van ex-werkneemster na het intreden van de arbeidsongeschiktheid kunnen daarom aangemerkt worden als een benadelingshandeling.
7.6
Er zijn uit het dossier geen omstandigheden gebleken waaruit opgemaakt kan worden dat ex-werkneemster van deze houding en gedrag geen of een verminderd verwijt zou kunnen worden gemaakt.
7.7
Ter zitting is namens het UWV gesteld dat als een benadelingshandeling wordt gepleegd en geen sprake is van verminderde of ontbrekende verwijtbaarheid, een maatregel wordt opgelegd waarbij de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd.
7.8
Uit alles wat hiervoor is overwogen volgt dat het UWV een maatregel had moeten opleggen, inhoudende dat de uitkering blijvend en geheel geweigerd wordt. Het bestreden besluit kan daarom niet in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond verklaard zal worden. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om zelf in de zaak te voorzien. De reden hiervoor is dat het voor de rechtbank niet duidelijk is hoe het UWV in dit geval ervoor zal zorgen dat de betaalde ZW-uitkering geen financiële gevolgen heeft voor eiseres terwijl het alsnog opleggen van een maatregel – zoals ter zitting is verklaard door het UWV – evenmin financiële gevolgen zal hebben voor ex-werkneemster. Het UWV kan bijvoorbeeld, zoals tijdens de zitting is besproken, ervoor kiezen om de betaalde uitkering te ontkoppelen van de werkgever zodat deze niet betrokken wordt bij de premieberekening van de werkgever. Een aanpassing of wijziging van het toekenningsbesluit zou dan wellicht niet nodig zijn. De rechtbank laat het aan het UWV om hier een praktische uitvoering aan te geven.
9. Ook zal de rechtbank niet met een tussenuitspraak het UWV opdragen een nieuw besluit in te brengen. De rechtbank heeft in deze uitspraak duidelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat het UWV de maatregel van een blijvende en gehele weigering van de uitkering had moeten opleggen. Als het UWV niet in dit oordeel wil berusten, zal hij hoger beroep moeten instellen tegen deze uitspraak. Als het UWV wel berust in deze uitspraak zal er naar verwachting geen geschil meer tussen partijen bestaan. Het UWV zal dan immers een besluit nemen waarmee wordt geregeld dat de uitkering die is betaald aan ex-werkneemster niet betrokken wordt bij de premieberekening van eiseres. Ter informatie van partijen merkt de rechtbank op dat het UWV in dat nog te nemen besluit ook nog proceskosten zal moeten vergoeden voor de bezwaarprocedure.
10. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten.
10.1
Het UWV moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling.
De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,- met wegingsfactor 1. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het UWV op binnen 6 weken na de dag na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.S. van Bree, rechter, in aanwezigheid van A.J.M. van Hees, griffier, op 29 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Ziektewet
Artikel 45, eerste lid, onder j
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het niet nakomen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, en 49.
Artikel 45, zesde lid
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede lid.
Deze algemene maatregel van bestuur is het Maatregelenbesluit Sociale Zekerheidswetten.
Maatregelenbesluit Sociale Zekerheidswetten
Artikel 2, eerste lid, onder d
De hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met n, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op een blijvend gehele weigering van de uitkering bij verplichtingen uit de vierde categorie, bedoeld in artikel 7, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval onderdeel c van toepassing is; of
Artikel 7, aanhef onder a
De verplichtingen op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met h, genoemde wetten, worden ingedeeld in de vierde categorie voor zover zij betrekking hebben op het zich zodanig gedragen dat de belanghebbende door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas, de eigenrisicodrager of het Toeslagenfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen, bedoeld in de artikelen 24, vijfde lid, van de WW, 45, eerste lid, onderdeel j, van de ZW en 13, eerste lid, van de IOW;

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB: 2021:162.
3.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2016:937.