ECLI:NL:CRVB:2016:937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens benadelingshandeling appellant
Appellant was sinds 1997 in dienst als productiemedewerker en meldde zich in maart 2012 ziek vanwege schouderklachten. Vanaf oktober 2012 hervatte hij gedeeltelijk zijn werkzaamheden. Eind oktober 2012 ontving de werkgever een melding dat appellant werkte in een winkel in Zwolle, wat werd bevestigd door een particulier rechercheonderzoek. Hierop werd appellant op staande voet ontslagen.
Appellant verzocht de kantonrechter om een voorlopige voorziening, maar dit werd afgewezen en de arbeidsovereenkomst werd ontbonden. Het UWV weigerde vervolgens een Ziektewetuitkering omdat appellant door zijn handelen de werkgever had benadeeld. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank, die het beroep eveneens ongegrond verklaarde.
In hoger beroep beperkte appellant zich tot het betwisten van verwijtbaarheid wegens medische redenen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij verminderd verwijtbaar handelde. Het ingebrachte psychiatrisch rapport was onvoldoende onderbouwd en er waren geen andere aanwijzingen voor verminderde verwijtbaarheid. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling van appellant zonder verminderde verwijtbaarheid.