Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De verdere procedure
- het tussenvonnis van 5 maart 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de akte overlegging producties van de zijde van de man;
- de akte wijziging/aanvulling vorderingen in conventie van de kant van de vrouw, na debat door de rechter toegelaten en overgelegd tijdens de hierna te noemen mondelinge behandeling.
2.De feiten
3.Het geschil
voor het geval de vrouw niet binnen vier maanden na de datum van het vonnis van de rechtbank meewerkt aan de toedeling/notariële levering van de woning aan de man:
4.De beoordeling
totverdeling, die partijen verplichtte om de daarin opgenomen verdeling – door tussenkomst van een notaris – uit te voeren. Voor toepassing van artikel 3:196 BW Pro geldt deze overeenkomst echter toch als een “verdeling” als in dat artikel genoemd (zie ECLI:NL:PHR:2019:1006, met verwijzing naar HR NJ 1996, 499). Dat betekent dat een beroep op de vernietigbaarheid van deze overeenkomst (ook nu de verdeling niet is uitgevoerd) mogelijk was tot 3 jaar na de datum waarop de overeenkomst was gesloten, dus uiterlijk op 22 oktober 2023. De vrouw heeft voor het eerst een beroep op de vernietigingsgrond van artikel 3:196 BW Pro bij dagvaarding, dus op 11 september 2024, en daarmee dus te laat. De rechtbank zal aan de stellingen van de vrouw op dit punt dus voorbijgaan, en geen nader onderzoek doen naar de vermogenssituatie (die bij een verdeling moest worden betrokken) van partijen.