Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het niet afsluiten en in stand houden van de vereiste verzekering voor een bromfiets, geconstateerd door de RDW op 20 maart 2023. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststond en betrokkene geen bewijs had geleverd dat het voertuig niet werd gebruikt of dat de groene kaart kwijt was. De boete was daarom terecht opgelegd. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling was overschreden, aangezien de boete op 9 mei 2023 werd opgelegd en de procedure tot december 2025 duurde, ruim 7 maanden langer dan toegestaan.
Op grond hiervan matigde de kantonrechter de boete met 25%. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van de procedure bij de kantonrechter in de fase van termijnoverschrijding. De officier van justitie werd veroordeeld tot vergoeding van € 907,- aan proceskosten. De beslissing van de officier van justitie werd daarmee gewijzigd.