In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een administratieve sanctie opgelegd gekregen voor het niet afsluiten en in stand houden van de vereiste verzekering voor een bromfiets, zoals vastgesteld door de RDW op 20 maart 2023. De betrokkene heeft tegen de beslissing van de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde, beroep ingesteld bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 3 juli 2025 is de zaak aangehouden om de gemachtigde de gelegenheid te geven het beroepschrift met stukken te onderbouwen. Op 4 december 2025 vond de verdere behandeling plaats, waarbij de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie aanwezig was en verzocht om de boete te matigen met 25% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht, maar heeft ook geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. De boete, oorspronkelijk opgelegd op 9 mei 2023, is met ruim 7 maanden overschreden. Daarom heeft de kantonrechter besloten de boete te matigen tot € 315,-, plus € 9,- administratiekosten. Tevens is de officier van justitie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, die zijn vastgesteld op € 907,-. De uitspraak is openbaar gedaan en de betrokkene is geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.