Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. Betrokkene, die een scootmobiel bestuurde, had een boete gekregen omdat hij niet het fiets/bromfietspad had gebruikt op de N285 te Zevenbergen op 9 maart 2024. Betrokkene heeft tegen de opgelegde boete beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Hierop heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 4 december 2025 was de zittingsvertegenwoordiger D. van der Teen aanwezig, maar betrokkene zelf was niet verschenen. De kantonrechter heeft de zaak behandeld en de standpunten van beide partijen gehoord. Betrokkene voerde aan dat hij geen bromfiets bestuurde, maar een scootmobiel, en dat hij om die reden op de rijbaan mocht rijden. De zittingsvertegenwoordiger heeft het verzoek gedaan om het beroep gegrond te verklaren, onder verwijzing naar de regelgeving omtrent gehandicaptenvoertuigen.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de gedraging waarvoor de boete was opgelegd, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Aangezien betrokkene een scootmobiel bestuurde, was het voor hem toegestaan om op de rijbaan te rijden. De kantonrechter heeft het beroep gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en bepaald dat het bedrag van € 129,- dat betrokkene als zekerheid had betaald, door de officier van justitie moest worden terugbetaald. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken.