Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
€ 453,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete die aan betrokkene was opgelegd. De boete was opgelegd voor het verkeerd parkeren van een bromfiets op de Spoorlaan naast de ABN Amro te Tilburg op 12 oktober 2022. Betrokkene heeft tegen de opgelegde boete beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Hierop heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is eerder behandeld op 2 mei 2025, maar werd aangehouden om de officier van justitie de gelegenheid te geven een aanvullend proces-verbaal over te leggen. Tijdens de zitting op 25 november 2025 was de zittingsvertegenwoordiger E.J.T. Berkeljon aanwezig, evenals de gemachtigde van betrokkene. De gemachtigde voerde aan dat de gedraging niet had plaatsgevonden en dat de huurperiode van het voertuig niet overeenkwam met het tijdstip van de boete. Hij verwees naar artikel 8 sub b van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en stelde dat de verhuurder bewijsstukken moest overleggen van de huurder ten tijde van de gedraging.
De kantonrechter oordeelde dat de officier van justitie geen aanvullend proces-verbaal had overgelegd en dat er onvoldoende bewijs was om aan te nemen dat de verweten gedraging had plaatsgevonden. Daarom verklaarde de kantonrechter het beroep gegrond, vernietigde de beslissing van de officier van justitie en droeg deze op om de betaalde zekerheidstelling van € 79,- aan betrokkene terug te betalen. Tevens werd de officier van justitie veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene, die in totaal € 1.230,50 bedroegen.