ECLI:NL:RBZWB:2025:9606

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
11442552 MB VERZ 24-974
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 7:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens parkeren zonder vergunning

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het parkeren zonder vergunning op een vergunninghoudersparkeerplaats in Zierikzee op 15 september 2023. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, waarbij werd aangevoerd dat de dwangsom onterecht was berekend en de beslistermijn niet correct was verlengd.

De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur was omdat deze vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn was gedaan, waardoor geen recht op een dwangsom bestond. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met ruim een maand was overschreden, wat een matiging van de boete met 25% rechtvaardigt.

De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen en de proceskosten van betrokkene te vergoeden. De beslissing van de officier van justitie werd daarmee gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: De boete wordt met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn en het teveel betaalde bedrag wordt terugbetaald.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
zaaknummer.: 11442552 \ MB VERZ 24-974
CJIB-nummer: [CJIB-nummer]
uitspraakdatum: 21 november 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 21 november 2025. Namens de officier van justitie is verschenen E.J.T. Berkeljon (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op een parkeerplaats vergunninghouders (bord E9) zonder vergunning voor dat voertuig op de Hoofdpoortstraat te Zierikzee op 15 september 2023 om 15:53 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de dwangsom foutief is berekend. De officier is op 22 mei 2024 in gebreke gesteld. Daarnaast is de dagtekening van de beslissing niet de datum waarop betrokkene de beslissing heeft ontvangen dan wel deze feitelijk is verzonden. De beslissing is door gemachtigde ontvangen op 10 juli 2024. Gemachtigde verwijst naar uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de bijgevoegde correspondentie tussen het CVOM en het kantoor van gemachtigde. Gemachtigde verzoekt de dwangsom vast te stellen, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat uit het dossier niet blijkt dat de beslistermijn is verlengd.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De ingebrekestelling was prematuur, waardoor er geen recht is op een dwangsom. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn. De sanctie dient met 25% gematigd te worden.
Overwegingen
Brief verlenging beslistermijn
Het hof heeft in het arrest van 13 mei 2025 vastgesteld dat het verzendproces van brieven die door de officier van justitie worden verzonden vanuit MAPS, zoals de verdagingsbrief met een verlenging van de beslistermijn met tien weken, zo is ingericht, dat de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten (ECLI:NL:GHARL:2025:2912). Overigens is -anders dan de gemachtigde stelt deze brief wel in het dossier aanwezig. Daarom mag ervan worden uitgegaan dat deze brief daadwerkelijk is verzonden. De enkele betwisting van de ontvangst is onvoldoende om hieraan te twijfelen.
Dwangsom
Gemachtigde heeft verzocht om toekenning van de wettelijke dwangsom omdat de officier van justitie niet tijdig heeft beslist.
Op grond van artikel 7:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de officier van justitie beslissen binnen 16 weken vanaf het einde van de beroepstermijn. De beroepstermijn eindigde in dit geval op 16 november 2023.
De officier van justitie heeft per brief van 28 februari 2024 de beslistermijn met tien weken verlengd.
Dit betekent dat de officier van justitie uiterlijk op 9 juni 2024 een beslissing moest nemen.
Bij brief van 22 mei 2024 heeft de gemachtigde de officier van justitie meegedeeld dat de beslistermijn is verstreken en de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet nemen van een beslissing. Deze brief is op 24 mei 2024 ontvangen door de officier van justitie. Dat is voor het einde van de beslistermijn en dus was deze ingebrekestelling prematuur. Het is niet mogelijk om een bestuursorgaan bij voorbaat in gebreke te stellen voor het geval dat niet tijdig zal worden beslist. Deze brief kan daarom niet als een ingebrekestelling gelden en er is dus geen grond om een dwangsom vast te stellen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 5 oktober 2023 en is de redelijke termijn dus met ruim één maand overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- =
€ 453,50
€ 907,00

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 82,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 27,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 67, 4330 AB Middelburg. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: