In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een boete ontvangen voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Rijksweg A17 te Oud Gastel op 8 november 2023. Betrokkene heeft tegen de opgelegde boete beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde. Hierop heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 4 december 2025 heeft de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie, D. van der Teen, de verzoeken gedaan om het beroep deels gegrond te verklaren en de boete met 25% te matigen vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Betrokkene voerde aan dat zij niet had gebeld, maar met haar hand aan haar hoofd friemelde. De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs bood voor de gedraging, maar erkende ook dat de redelijke termijn was overschreden.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de boete terecht was opgelegd, maar heeft deze wel gematigd met 25% vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd, en het bedrag dat betrokkene te veel had betaald, moest worden terugbetaald. De uitspraak werd openbaar uitgesproken door de kantonrechter, bijgestaan door de griffier.