Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
OverwegingenZekerheidstelling
De boete is in zoverre dus terecht opgelegd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een administratieve sanctie opgelegd gekregen voor het niet afsluiten en in stand houden van de vereiste verzekering voor een motorrijtuig. De gedraging werd vastgesteld door de RDW op 23 juni 2023. Betrokkene heeft tegen de beslissing van de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde, beroep ingesteld bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 4 december 2025 was de betrokkene niet aanwezig, maar de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie, D. van der Teen, was wel aanwezig.
Betrokkene voerde aan dat de boete niet redelijk was, omdat het voertuig na een ongeval niet meer kon rijden en op advies van de garage en verzekeraar was gesloopt. De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststond, maar dat er aanleiding was om de boete te matigen. De kantonrechter stelde vast dat de redelijke termijn voor behandeling van de zaak was overschreden, aangezien de boete op 14 augustus 2023 was opgelegd en de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar had geduurd.
De kantonrechter besloot de boete te matigen tot € 100,-, plus € 9,- administratiekosten, en verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd en het teveel betaalde bedrag aan zekerheid moest door de officier van justitie worden terugbetaald. De uitspraak werd openbaar uitgesproken door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, en griffier E.H. de Vries.