Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een boete ontvangen voor het rijden op het trottoir op de Nieuwlandstraat te Tilburg op 30 maart 2022. De betrokkene heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, die het beroep ongegrond had verklaard. Tijdens de zitting op 25 november 2025 was de gemachtigde van de betrokkene, mr. N.G.A. Voorbach, niet aanwezig, maar de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie was wel aanwezig. De gemachtigde voerde aan dat de wegindeling niet voldeed aan de vereisten van het beleidskader voor digitale handhaving, omdat het wegdek de indruk wekte van een rijbaan en er geen duidelijke scheiding was tussen de rijbaan en het voetgangersgebied. De zittingsvertegenwoordiger verzocht om gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep, omdat er sprake was van overschrijding van de redelijke termijn. De kantonrechter oordeelde dat de boete terecht was opgelegd, maar dat de redelijke termijn was overschreden. Daarom werd de boete met 25% gematigd. De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd en de betrokkene kreeg een proceskostenvergoeding toegewezen.