Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het trottoir op de Nieuwlandstraat te Tilburg op 5 juli 2024. Hij stelde beroep in tegen de boete, stellende dat de schouwrapporten onvolledig waren en dat de bebording die het voetgangersgebied aanduidt, niet zichtbaar was vanuit de Korte Tuinstraat. Ter zitting voerde betrokkene aan dat hij wel een vooraankondigingsbord had gezien, maar het inrijverbodsbord niet.
De officier van justitie erkende dat het bord dat bestuurders verplicht linksaf te slaan haaks staat op het inrijverbodsbord en verzocht om matiging van de boete. De kantonrechter oordeelde dat de gedraging voldoende was vastgesteld met behulp van foto’s en schouwrapporten, maar dat de zichtbaarheid van het inrijverbodsbord onvoldoende was voor betrokkene om hem een verwijt te maken.
De kantonrechter concludeerde dat de plaatsing van het inrijverbodsbord niet zodanig was dat het vanaf de Korte Tuinstraat goed zichtbaar was, waardoor betrokkene niet kon weten dat hij een overtreding beging. Daarom werd het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete gematigd tot nihil. Tevens werd de teveel betaalde zekerheidstelling van €189,- terugbetaald aan betrokkene.
Uitkomst: De boete voor rijden op het trottoir wordt gematigd tot nihil vanwege onvoldoende zichtbaarheid van het inrijverbodsbord.